BSD

De profeet Zefanja

Zefanja De profeet Zefanja verkondigde zijn profetie aan het volk van Juda, tijdens het bewind van koning Josia. Er is weinig bekend van zijn achtergrond, behalve dat hij een afstammeling van koning Hizkia was. Door zulke edele afstamming, moet hij vertrouwd geweest zijn met het leven van de adel in de hoofdstad en van het koninklijk huis.

Bij het zien van de afgoderij die, tijdens het bewind van koning Manasse, in de heilige stad was verspreid, hekelt Zefanja de "opstandige en vervuilde stad," en haar vorsten, die als "brullende leeuwen" zijn, en haar rechters die "als wolven zijn, ze laten niets over voor de ochtend." Hij hekelt ook de valse profeten, die hij "mannen van verraad," noemt en de priesters "die het heiligdom hebben ontheiligd."

Maar nadat God Israël zal hebben getuchtigd, zal er ware vreugde in Sion zijn, waarbij een gezuiverd en hersteld volk in vrede en veiligheid zal wonen: "Op die dag zult u niet beschaamd zijn over al uw daden waarmee u tegen Mij in opstand kwam, want dan zal Ik hen uit uw midden wegdoen die uitgelaten zijn over uw hoogmoed. Voortaan zult u zich niet meer verheffen omwille van Mijn heilige berg...... Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen en geen leugen spreken, en in hun mond zal niet gevonden worden een tong die bedriegt. Ja, zij zullen weiden en neerliggen, en niemand zal hun schrik aanjagen." Zefanja 3: 11 en 13.

"Zing vrolijk, dochter van Sion! Juich, Israël! Wees blij en spring op van vreugde met heel uw hart, dochter van Jeruzalem! Hashem heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning van Israël, Hashem, is in uw midden: u zult geen kwaad meer zien......In die tijd zal Ik u hierheen brengen, namelijk in de tijd dat Ik u zal bijeenbrengen. Voorzeker, Ik zal u maken tot een naam en tot lof onder alle volken van de aarde, wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng, zegt Hashem." Zefanja 3:14,15 en 20

Bron: Four Prophets

Onderstaand een eigen vertaling uit het Hebreeuws van Zefanja

Hoofdstuk 1

  1. Het woord van Hashem dat kwam tot Zefanja, de zoon van Cushi, zoon van Gedaljah, zoon van Amarjah, zoon van Hizkia, in de dagen van Josiah, zoon van Ammon koning van Juda.
  2. Volkomen zal Ik alles wat op aarde is tot een einde doen komen, luidt het woord van Hashem.
  3. Ik zal een einde doen komen aan mens en dier, gevogelte van de hemel en de vissen van de zee en de ergernissen met de goddelozen en Ik zal de mens uitroeien van de aardbodem, luidt het woord van Hashem.
  4. Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem en uit deze plaats uitroeien elk overblijfsel van Baal en de naam van de afgodendienaars met de priesters.
  5. Zij die zich neerbuigen op de daken voor het heer van de hemel en zij die zich buigen en zweren bij Hashem en zweren bij hun Moloch.
  6. Zij die afvallig worden van Hashem en die Hashem niet zoeken noch naar Hem vragen.
  7. Wees stil voor Hashem Hashem want de dag van Hashem is nabij, want Hashem bereidt een slachtoffer en heeft zijn gasten genodigd.
  8. En op de dag van het slachtoffer van Hashem zal Ik de leiders en de zonen van de koning en allen die vreemde kleding dragen, ter verantwoording roepen.
  9. En Ik zal ter verantwoording roepen al die over de drempel springen, en op die dag het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.
  10. En op die dag zal het gebeuren, zegt Hashem, dat er een luid geschreeuw zal zijn in de Vispoort en een gehuil uit de tweede poort en een grote ineenstorting van de heuvelen.
  11. Huilt jullie inwoners van Maktesh, want al het volk van Kanaän wordt vernietigd en al die geld afwegen worden uitgeroeid.
  12. In die tijd zal Ik Jeruzalem doorzoeken met lampen en zal Ik de mensen ter verantwoording roepen die dik zijn geworden van hun droesem en in hun hart spreken: Hashem zal noch kwaad noch goed doen.
  13. En hun rijkdommen zullen tot plundering zijn en hun huizen ter verwoesting. Zij zullen huizen bouwen en er niet in wonen, zij zullen wijngaarden planten en er geen wijn van drinken.
  14. De grote dag van Hashem is nabij, nabij en zeer snel. Hoort de dag van Hashem, bitter schreeuwt dan de held.
  15. Een dag van woede is die dag, een dag van angst en onderdrukking, een dag van verwoesting, een dag van donkerheid en duisternis, een dag van wolken en dikke duisternis.
  16. Een dag van sjofar en krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge torens.
  17. Ik zal de mensen in het nauw brengen en zij zullen als blinden gaan, want tegen Hashem hebben zij gezondigd en hun bloed zal vergoten worden als was het stof en hun ingewanden als drek.
  18. Zij zullen hun zilver en goud niet kunnen redden op de dag van de toorn van Hashem en het hele land zal door het vuur van Zijn naijver verteerd worden, ja want Hij zal een verschrikkelijk einde doen komen over al de inwoners van het land.

Hoofdstuk 2

  1. Komt tot jezelf, ja komt tot jezelf jij schaamteloos volk.
  2. Voordat het besluit tot uitvoering komt, gaat de dag als kaf voorbij, voordat de gloeiende toorn van Hashem over jullie komt, voordat de dag van de toorn van Hashem over jullie komt.
  3. Zoekt Hashem, al jullie ootmoedigen van het land, die zijn wet volbrengen. Zoekt gerechtigheid, zoekt nederigheid, misschien kunnen jullie je op de dag van de toorn van Hashem verbergen.
  4. Want Gaza zal verlaten worden en Askelon tot een woestenij, Asdod zal in de middag verdreven worden en Ekron vernietigd worden.
  5. Wee de bewoners van de zeekust, het volk van de Keretiten, het woord van Hashem is tegen jullie. Kanaän, land van de Filistijnen, Ik zal je te gronde richten zodat er geen inwoners meer zijn.
  6. De zeekust zal worden tot weideplaatsen, tot putten voor herders en tot kooien voor schapen.
  7. De kust zal zijn voor het overblijfsel van het huis van Juda, daarop zullen zij weiden. 's Avonds zullen zij in de huizen van Askelon gelegerd zijn, want Hashem hun God zal zich om hen bekommeren en zij zullen weerkeren uit hun gevangenschap.
  8. Ik heb het gesmaad van Moab en het gehoon van de Ammonieten gehoord, waarmee zij mijn volk hebben gesmaad en zich over hun gebied verhieven.
  9. Daarom, zowaar Ik leef, zegt Hashem Tzebaoth, de God van Israël, Moab zal worden als Sodom en de Ammonieten als Gomorra, een veld van distels en een zoutmijn en voor altijd een woestenij. Een overblijfsel van Mijn volk zal hen plunderen en een rest van Mijn volk hen erfelijk bezitten.
  10. Dit zullen zij wedervaren in plaats van hun hoogmoedigheid, want zij hebben gesmaad en tegen het volk van Hashem Tzebaoth zich verheven.
  11. Hashem zal door hen gevreesd worden, want alle goden van de aarde zullen verdwijnen en alle kustlanden van de volkeren, ieder op zijn plaats, zullen zich voor Hem neerbuigen.
  12. Ook jullie Ethiopiërs, jullie zullen door Mijn zwaard gedood worden.
  13. En Hij zal zijn hand uitstrekken tegen het noorden en Assur vernietigen en Ninevé zal Hij maken tot een woestenij, zo dor als een woestijn.
  14. Kudden zullen zich daarin legeren, al de beesten van de volkeren, zowel pelikaan als roerdomp zullen overnachten op haar kapitelen en zingen vanuit een venster. Verwoesting is op de drempel, want al het cederwerk zal verwijderd worden.
  15. Dit is de uitgelaten stad die zo onbezorgd woonde en in haar hart sprak zij: ik ben het en niemand anders. Hoe is zij tot een woestenij geworden, een rustplaats voor het wild gedierte en iedereen die haar voorbijgaat, zal fluiten en geeft met zijn hand zijn verbazing te kennen.

Hoofdstuk 3

  1. Wee de weerspannige, onrein geworden, onderdrukkende stad.
  2. Zij wil geen roepstem horen, zij neemt geen tuchtiging aan, op Hashem vertrouwt zij niet, tot haar Elokim nadert zij niet.
  3. Haar vorsten in haar midden zijn als brullende leeuwen, haar rechters zijn als wolven in de avond, zij laten niets over tot de morgen.
  4. Haar profeten zijn onbetrouwbaar, mannen die trouweloos handelen, haar priesters ontwijden het heilige en doen de wet geweld aan.
  5. Hashem is de rechtvaardige in haar midden en doet geen onrecht. Elke morgen brengt Hij zijn recht aan het licht en het wordt niet gemist, maar de verkeerde weet van geen schaamte.
  6. Ik heb volkeren vernietigd, hun hoektorens zijn ontvolkt, hun straten heb Ik vernield, zodat niemand er meer doorgaat, hun steden worden verwoest, zonder mens, zonder inwoner.
  7. Ik zei, vrees Mij toch, neem tuchtiging aan zodat haar Woning niet vernietigd wordt ondanks wat Ik over haar besloten heb. Maar zij verlangde vurig om al haar boze daden te doen.
  8. Daarom wacht, op Mij spreekt Hashem, op de dag dat Ik zal opstaan tot de buit. Want mijn vonnis is volkeren te verzamelen en koninkrijken te vergaderen om over hen mijn toorn uit te gieten, heel mijn brandende toorn.
  9. Want dan zal Ik de volkeren, andere reine lippen geven zodat zij allen de naam van Hashem zullen aanroepen, om Hem eendrachtig te dienen.
  10. Van de andere zijde van de rivieren van Cush zullen mijn aanbidders, mijn verstrooiden, mijn offer brengen.
  11. Op deze dag zul je je niet schamen over al je daden die je tegen Mij hebt bedreven, want dan zal Ik uit je midden je triomfantelijke trots verwijderen en dat je niet langer doorgaat hoogmoedig te zijn op Mijn heilige berg.
  12. Ik zal in je midden een arm en hulpeloos volk overlaten, dat schuilt bij de naam van Hashem.
  13. Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen, geen leugen spreken en in hun mond is geen bedrieglijke tong te vinden, want zij zullen weiden en zich legeren, omdat er niets te vrezen is.
  14. Zing jubelend dochter van Sion, juich Israël, wees verheugd en wees vrolijk met heel je hart, dochter van Jeruzalem.
  15. Hashem heeft je oordeel weggenomen en je vijand weggevaagd, de koning van Israël, Hashem, is in je midden, je zult geen kwaad meer vrezen.
  16. Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen, heb geen vrees en tegen Sion, laat je handen niet slap worden.
  17. Hashem, je Elokim is in je midden, een held die verlost, Hij zal zich met blijdschap over je verheugen, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal met gejubel over je juichen.
  18. Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik verzamelen, als een last is de smaad op haar.
  19. Zie, Ik zal in die tijd afrekenen met jullie verdrukkers en Ik zal de verlamden redden en het verstrooide zal Ik verzamelen en Ik zal hen tot naam en tot lof stellen, wier schande was over de hele aarde.
  20. In die tijd zal Ik jullie doen komen en in die tijd zal Ik jullie verzamelen, want Ik zal jullie tot naam en tot lof stellen onder alle volkeren van de aarde, wanneer Ik jullie ballingen doe terugkeren voor jullie ogen, zegt Hashem.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Hoofdstuk 1 vers 11: Maktesh is de naam van een deel van de stad Jeruzalem.

Hoofdstuk 3 vers 11: Je = Jeruzalem.

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.