BSD

Onderstaande vertaalde inleiding op het boek Ruth is afkomstig uit de Tanach Stone Edition van ArtScroll.

Inleiding

Het boek Ruth vertelt het verhaal van een Moabitische vrouw die haar vaderland verliet en in het land van Israël kwam als één die naar het Jodendom was overgegaan. Daar leeft zij in ellendige armoede, voedsel zoekend voor haarzelf en voor haar schoonmoeder, die weduwe was.
Vervolgens werd zij de vrouw van Boaz, die volgens de Talmoedische traditie ook Ibzan genoemd werd, één van de rechters van Israel. Boaz en Ruth waren een onwaarschijnlijk paar. Zij was een Moabitische prinses, die van eer en welstand was afgedaald naar armoede en minachting. Hij was een rechter. De leider van het Joodse volk, geacht, welvarend en geëerd. Hij was twee generaties ouder dan zij. Wat achtergrond betreft stonden zij echter nog verder van elkaar. Toch kwamen die twee bij elkaar onder de meest ongeloofwaardige omstandigheden om de voorouders te worden van de koninklijke familie van Israël. De Talmoed noemt Ruth de koninklijke moeder, omdat haar nageslacht onder andere bestond uit David, Salomo en de toekomende Messias.

Er zijn verschillende redenen waarom het boek Ruth gelezen wordt op het feest Sjevoeot. Eén van deze is instructief en inspirerend voor ons dagelijks leven. Niemand had meer het recht om te menen, dat zij een mislukking was dan Ruth, aren lezend op de akkers voor haar volgende maaltijd. Boaz zal niet zoveel betekenis hebben gehecht aan zijn pogingen om haar het leven gemakkelijker te maken. Maar God zag hen anders; Hij hechtte zo veel waarde aan hun daden dat Hij hen opnam in de heilige Schriften.

Zoals de wijzen zeggen: had Boaz slechts geweten dat de Heilige gezegend is Hij, zijn edelmoedigheid jegens Ruth belangrijk genoeg zou vinden voor een opname in de heilige Schriften, dan zou hij haar een rijkelijk banket van gevulde kalveren hebben voorgeschoteld.

Het is waar dat vroeger iemand een gebod naleefde en dat een profeet dat voor eeuwig op zou nemen in de heilige Schriften. Maar nu de heilige boeken geschreven en verzegeld zijn, hoe zullen onze waardevolle daden worden ingeschreven en herinnerd? De wijzen antwoorden dat de profeet Elia ze inschrijft en dat Koning Messias en de Heilige, gezegend is Hij, hun handtekeningen toevoegen, zoals er geschreven staat: "Dan spreken zij die Hashem vrezen, ieder tot zijn naaste en Hashem luistert en hoort." Maleachi 3:16.

Wat een bijzondere en inspirerende onderwijzing! Geen enkele daad wordt genegeerd. Geen handeling wordt vergeten. Dit is de les van het boek Ruth. Net zoals God zijn Tora gaf op Sjavoeot, zo wil Hij ons doen weten dat de daden van stervelingen een deel kunnen worden van zijn plan. De geschiedenis van Ruth en haar triomf over de tegenspoed blijft een historische les voor de potentie van de grootheid van de mens.

Het bijbelboek Ruth

Hoofdstuk 1

Ruth en Naomi

  1. Het was in de dagen dat de rechters regeerden en er was hongersnood in het land en een man vertrok uit Bethlehem in Juda om als vreemdeling te verblijven in de velden van Moab, hij, zijn vrouw en zijn beide zonen.
  2. En de naam van de man was Elimelech en de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Chiljon, Efratieten uit Bethlehem in Juda en zij kwamen in de velden van Moab en daar verbleven zij.
  3. En Elimelech, de man van Naomi, stierf en zij bleef achter met haar twee zonen.
  4. En zij namen voor zich Moabitische vrouwen, de naam van de eerste was Orpha en van de tweede Ruth, en zij woonden daar tien jaar.
  5. En ook zij, Machlon en Chiljon, stierven beide en de vrouw bleef achter zonder haar twee kinderen en haar man.
  6. En zij stond op met haar schoondochters en trok uit de velden van Moab, want zij hoorde in het veld van Moab, dat Hashem zich om zijn volk bekommerd had en hen brood had gegeven.
  7. En zij verliet de plaats waar zij gewoond had en haar twee schoondochters met haar en zij gingen op weg om terug te keren naar het land Juda.
  8. En Naomi zei tegen haar twee schoondochters, ga en keer terug ieder naar het huis van haar moeder, mag Hashem aan jullie barmhartigheid bewijzen, zoals jullie [dat] aan de doden en aan mij gedaan hebben.
  9. Mag Hashem jullie rust geven en doen vinden, ieder in het huis van haar man en zij kuste hen en zij verhieven hun stem en weenden.
  10. En zij zeiden tot haar: nee want wij willen met jou terugkeren naar je volk.
  11. Maar Naomi zei: keer terug mijn dochters, waarom willen jullie met mij mee gaan, heb ik nog zonen in mijn schoot om voor jullie tot echtgenoot te zijn?
  12. Keer terug mijn dochters, ga want ik ben te oud om een echtgenoot te hebben, zelfs wanneer ik denk, ik heb hoop vannacht nog een man toe te behoren en om zelfs zonen zal baren.
  13. Willen jullie daarop wachten tot ze groot zijn? Willen jullie daardoor verhinderen er niet te zijn voor een man, nee mijn dochters, want ter wille van jullie ben ik zeer bitter vanwege jullie, want de hand van Hashem heeft zich tegen mij gekeerd.
  14. En zij verhieven hun stem en weenden weer en Orpha kuste haar schoonmoeder en Ruth hechtte zich aan haar.
  15. En zij zei: Zie je schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk en naar haar goden, keer jij ook terug, je schoonzuster achterna.
  16. Maar Ruth zei: Dwing mij niet jou te verlaten, om terug te keren, terwijl ik met jou mee wil gaan; want waar jij gaat zal ik gaan en waar jij overnacht zal ik overnachten. Jouw volk is mijn volk en jouw Elokim is mijn Elokim.
  17. Waar jij sterft zal ik sterven, daar zal ik begraven worden, zo doe Hashem aan mij en meer, want de dood zal scheiding brengen tussen mij en jou.
  18. Toen zij zag dat ze vastbesloten was om met haar te gaan, hield ze op om haar over te halen.
  19. En gingen die beiden samen, tot zij in Bethlehem kwamen en toen zij in Bethlehem kwamen was de hele stad opgewonden en zeiden zij, is dat Naomi?
  20. En zij zei tot hen: noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij zeer verbitterd.
  21. Vol ben ik weggegaan, Hashem bracht mij ledig terug.
  22. En toen Naomi en Ruth, haar Moabitische schoondochter, vanuit de velden van Moab terugkeerden naar Bethlehem, was het in het begin van de gersteoogst.

Hoofdstuk 2

  1. En Naomi had een bloedverwant van haar man, een vermogend man, een landeigenaar van het geslacht van Elimelech, met de naam Boaz.
  2. En Ruth, de Moabitische, zei tot Naomi, laat mij gaan naar het veld en korenaren verzamelen achter degene in wiens ogen ik genade zal vinden, en zij zei tot haar: ga mijn dochter.
  3. En zij ging heen en kwam toevallig op het stuk land van Boaz, die familie was van Elimelech.
  4. En zie Boaz, kwam uit Bethlehem en hij zei tot de maaiers: Hashem zij met jullie en zij zeiden tot hem: Hashem zegene je.
  5. En Boaz zei tegen de opzichter van de maaiers: bij wie hoort die jonge vrouw?
  6. De opzichter van de maaiers antwoordde en zei: zij is een Moabitische jonge vrouw, zij kwam met Naomi uit het veld van Moab.
  7. En zij zei: laat mij toch aren lezen en verzamelen tussen de korenaren achter de maaiers aan en zij kwam en is bezig geweest sinds de morgen tot nu toe, ze zit weinig thuis.
  8. En Boaz zei tot Ruth: hoor eens mijn dochter, ga geen aren lezen op een ander veld en ga hier ook niet weg en sluit je dus aan bij mijn dienstmeisjes.
  9. Kijk op het veld waar ze aan het maaien zijn en ga achter hen aan. Ik heb mijn maaiers geboden dat ze je niet lastig vallen. En heb je dorst, dan ga je naar de vaten en drink van wat mijn dienaren zullen scheppen.
  10. Toen wierp zij zich op haar aangezicht en boog zich ter aarde en zei tot hem: waarom heb ik genade gevonden in je ogen, om aandacht aan mij te schenken, terwijl ik een vreemde ben.
  11. Boaz antwoordde en zei tot haar: aan mij is alles verteld wat je allemaal voor je schoonmoeder gedaan hebt, na de dood van je man en je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en je naar een volk ging, dat je niet kende.
  12. Mag Hashem jouw daad belonen en mag je loon volkomen van Hashem, de Elokim van Israël, zijn, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.
  13. En zij zei: mag ik genade vinden in jouw ogen, mijn heer, want jij hebt mij getroost, omdat je tot het hart van je dienstmaagd hebt gesproken, hoewel ik geen dienstmaagd van je ben.
  14. En Boaz zei tot haar: het is tijd om te eten, kom hierheen en eet van het brood en doop jouw stukje in de azijn. En zij zat bij de maaiers. En hij gaf haar geroosterd koren en zij at en was verzadigd en hield over.
  15. En zij stond op om aren te lezen en Boaz gebood zijn opzichter en zei: ook tussen de garven mag zij aren oplezen en beschaam haar niet.
  16. En ook moet je voor haar wat uit de bundels graan trekken en laten liggen, opdat zij aren kan lezen en berispt haar niet.
  17. En zij las, tot de avond, aren op het veld en klopte uit die ze gelezen had en het was ongeveer een efa gerst.
  18. En zij tilde het op en kwam in de stad en haar schoonmoeder zag wat ze opgelezen had; ze nam eruit en gaf haar, dat wat over was toen zij verzadigd was.
  19. Toen zei haar schoonmoeder tot haar: waar heb je vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend is hij die jou heeft opgemerkt. En zij vertelde haar schoonmoeder bij wie ze gewerkt had, de naam van de man bij wie ik vandaag heb gewerkt is Boaz.
  20. En Naomi zei tegen haar schoondochter: gezegend is hij door Hashem, die Zijn goedertierenheid niet heeft onthouden noch aan de levenden noch aan de doden.` En Naomi zei tot haar: de man is verwant aan ons, hij is onze losser.
  21. En Ruth, de Moabitische, zei: want hij zei ook tegen mij sluit je aan bij mijn knechten totdat ze alles van mij hebben geoogst.
  22. En Naomi zei tot Ruth, haar schoondochter: het is goed mijn dochter, dat je met zijn dienstmaagden uitgaat en ik verzoek je niet naar een andere akker te gaan.
  23. En zij sluit zich aan bij de dienstmaagden van Boaz om aren te lezen tot het einde van de gerst - en tarweoogst. En zij woonde bij haar schoonmoeder.

Hoofdstuk 3

  1. Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: mijn dochter zou ik voor jou geen rust zoeken, zodat het jou goed gaat.
  2. Is Boaz niet onze bloedverwant, bij wiens dienstmaagden je bent geweest? Zie hij is vanavond op de dorsvloer aan het gerst wannen.
  3. Was je, en zalf je, doe je opperkleed aan en daal af naar de dorsvloer en maak je niet bekend aan de man tot hij klaar is met eten en drinken.
  4. En wanneer hij zich neerlegt, onthoud dan de plaats waar hij gaat liggen; en kom en ontbloot zijn voeten en ga liggen en hij zal je te kennen geven wat je moet doen.
  5. En zij zei tot haar: ik zal alles doen wat je zegt.
  6. Zij daalde af naar de dorsvloer en deed alles wat haar schoonmoeder haar geboden had.
  7. En Boaz at en dronk en zijn hart was vrolijk en hij ging liggen aan het eind van een hoop graan en zij kwam zachtjes en ontblootte zijn voeten en legde zich neer.
  8. En het was halverwege de nacht, dat de man wakker schrok en om zich heen tastte en zie een vrouw lag aan zijn voeten.
  9. En hij zei: wie ben jij? en zij zei: ik ben Ruth, je dienstmaagd, spreid je vleugelen uit over je dienstmaagd, want jij bent mijn losser.
  10. Hij zei: gezegend ben jij door Hashem, mijn dochter, je laatste barmhartigheid overtrof de eerste, omdat je niet achter de jongemannen bent aangegaan, noch arm noch rijk.
  11. En jij, mijn dochter vrees niet, alles wat je mij gezegd hebt zal ik voor je doen, want heel mijn geslacht weet, dat jij een deugdelijke vrouw bent.
  12. En nu, want het is waar dat ik losser ben, maar er is ook een losser, nader dan ik.
  13. Blijf hier overnachten en wanneer het morgen zal zijn dat hij je wil lossen, goed, en wanneer hij je niet wenst te lossen, zal ik je lossen, zowaar Hashem leeft.
  14. En zij lag neer aan zijn voeten tot de morgen; toen stond zij op voordat iemand de ander herkende en hij zei: laat het niet bekend worden, dat de vrouw op de dorsvloer kwam.
  15. En hij zei: geef de omslagdoek die je om hebt en houd hem vast. En ze hield hem vast en hij mat zes maten gerst af en deed die in de doek. En hij ging naar de stad.
  16. En zij kwam bij haar schoonmoeder en die zei: hoe gaat het met je, mijn dochter? En zij vertelde alles wat de man voor haar deed.
  17. En zij zei: deze zes maten gerst gaf hij mij, want hij zei tot mij, je zult niet met lege handen bij je schoonmoeder komen.
  18. En zij zei: wees rustig mijn dochter tot je zult weten, hoe de zaak zal aflopen, want de man zal vandaag niet rusten, voordat hij de zaak heeft geregeld.

Hoofdstuk 4

  1. En Boaz ging op naar de poort en zat daar en zie, de losser waarvan hij gesproken had ging voorbij en hij zei: kom bij me en ga hier zitten. En hij kwam bij hem en ging zitten.
  2. En hij nam tien mannen van de oudsten van de stad en zei: ga hier zitten. En zo deden zij.
  3. Toen sprak hij tot de losser: een deel van het veld dat van onze broeder Elimelech is, wil Naomi,nu zij teruggekeerd is uit het veld van Moab, verkopen.
  4. En ik dacht, ik zal het jou bekend maken om te zeggen koop het in tegenwoordigheid van hen die hier zitten en in tegenwoordigheid van de oudsten van mijn volk; als je wilt lossen, los en als je niet wil lossen, vertel het mij en ik zal het weten, want er is geen ander om te lossen behalve jij, en ik kom na jou en hij zei: ik wil lossen.
  5. En Boaz zei: op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi, verwerf je ook de weduwe Ruth, de Moabitische om de naam van de overledene op zijn erfdeel in stand te houden.
  6. De losser zei: dan ben ik niet in staat om voor mij te lossen, zodat ik mijn erfdeel niet te gronde richt; los jij, voor jou wat ik zou moeten lossen, want ik ben niet in staat om te lossen.
  7. Het was vroeger de gewoonte in Israël bij lossing en bij ruiling elke zaak te ratificeren, dat een man zijn schoen uittrok en aan de ander gaf, en dit was een bekrachtiging in Israël.
  8. En de losser zei tegen Boaz: koop jij het, en hij trok zijn schoen uit.
  9. En Boaz zei tot de oudsten en al het volk: jullie zijn vandaag getuigen, dat ik alles wat toebehoorde aan Elimelech en aan Chiljon en Machlon, uit de hand van Naomi heb gekocht.
  10. En ook Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, heb ik mij tot vrouw verworven, om de naam van de overledene op zijn erfdeel in stand te houden, en de naam van de overledene niet uitgeroeid zal worden uit het midden van zijn broeders en uit de poort van zijn woon plaats, daarvan zijn jullie vandaag getuige.
  11. En al het volk in de poort en de oudsten zeiden: wij zijn getuigen, mag Hashem geven dat de vrouw, die in je huis komt, zal zijn als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël hebben gebouwd. Handel kloek in Efratha en maak je een naam in Bethlehem.
  12. En mag je huis zijn als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde, uit het nageslacht dat Hashem jou zal geven door deze vrouw.
  13. En Boaz nam Ruth en zij werd hem tot vrouw, hij kwam tot haar en Hashem gaf haar zwangerschap en zij baarde een zoon.
  14. En de vrouwen zeiden tot Naomi: gezegend zij Hashem, die jou het heden niet heeft laten ontbreken aan een losser, en mag zijn naam genoemd worden in Israël.
  15. En hij zal je ziel verkwikken en je in je ouderdom verzorgen, want je schoondochter, die je liefhebt, die heeft hem gebaard, want zij is voor jou beter dan zeven zonen.
  16. En Naomi nam het kind en zij legde hem op haar schoot en zij was zijn verzorgster.
  17. En de buren gaven hem een naam en zeiden: aan Naomi is een zoon geboren. En zij noemden zijn naam Obed, hij is de vader van Isaï, de vader van David.
  18. Dit is het geslachtsregister van Perez, Perez verwekte Hezron,
  19. Hezron verwekte Ram en Ram verwekte Amminadab,
  20. Amminadab verwekte Nahesson en Nachshon verwekte Salma,
  21. Salma verwekte Boaz en Boaz verwekte Obed,
  22. Obed verwekte Isaï en Isaï verwekte David.

Aantekeningen

Home Malben

printer


Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Sjevoeot ook gespeld als Sjawoe'ot of Sjawoeoth is het Joodse Wekenfeest dat zeven weken na Pesach wordt gevierd. Het is tevens het einde van de omertelling.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.