BSD

Onderstaande vertaalde inleiding op het boek Numeri is afkomstig uit de Tanach Stone Edition van ArtScroll.

Numeri

Inleiding

Het boek Numeri begint en eindigt met Israel aan de vooravond van het binnengaan van het beloofde land. - maar de 38 tussenliggende jaren van hun tocht in de woestijn was een dieptepunt in de Joodse geschiedenis.

Het boek bevat de geschiedenis van de spionnen, die de hoofden van het volk op hol brachten; de rebellie van Korach en zijn groep en de vergissing van Mozes, waardoor hij en Aaron het beloofde land niet mochten binnengaan. Maar het eindigt ook met de eerste stappen op weg naar de verovering van het land Israël.

In de Talmoed en de rabbijnse literatuur staat het boek als het boek van de Getallen, omdat een van zijn belangrijkste thema's de volkstelling is. In het begin werden de leden van de stammen ieder afzonderlijk geteld, wanneer iedere Jood aan Mozes en Aaron voorbijgaat en het bewijs toont van welke stam hij lid is. Wat een geweldige gebeurtenis moest dit wel niet zijn, voor zelfs de meest eenvoudige Jood, om voor zijn twee leiders te staan - de grootste profeten die ooit leefden en de heilige dienstknechten van Hashem - en zich te identificeren en hun zegen te ontvangen.

Eenmaal geteld werden de stammen opgesteld rondom de Tabernakel, hiermee zien latend dat de Aanwezigheid van Hashem hun verzamelpunt was, het brandpunt van het volk, toen en altijd. Want Joden zijn een volk krachtens de Tora; het is hun bestaansgrond. Door dit te accepteren werden zij een volk en door dit te volgen bleven zij een volk

Daar in de woestijn, legerde het volk zich rondom de Tabernakel die de stenen tafelen met de tien geboden bevatte, en gingen daarmee op weg waarheen Hashem hen ook bracht. Dit thema van het Joodse natie zijn zette zich voort door de geschiedenis heen. Zoals het zo treffend wordt gezegd: "Meer dan de Joden de sabbat bewaarden, bewaarde de Sabbat de Joden."

Rashi merkt bij het begin van het boek op dat Hashem zijn volk telde omdat Hij het volk liefhad. Ook het feit dat ieder afzonderlijk werd geteld bewijst de oneindige waarde van iedere Jood.

Zeker het zou gemakkelijker en sneller geweest zijn wanneer het volk per groep was geteld en dat zou de goede weg geweest zijn als het alleen maar ging om het getal. Maar dan zou ieder individu een onbetekenend lid van het volk zijn geweest en zou zijn persoonlijke verantwoordelijkheid hebben verdoezeld.

Iedere stam had zijn eigen uniekheid om bij te dragen aan het nationale welzijn en elk individu was kostbaar op zijn eigen manier.

Het is waar het boek vertelt hoe het volk uitgleed en dat een hele generatie ten onder moest gaan in de woestijn. Maar hun kinderen ontpopten zich als sterk en moedig en nog altijd verzameld rondom de Tabernakel en gereed om zijn bestemming als erfgenaam van Abraham, Isaac en Jacob, op te eisen.

Parasja Bemidbar in een notendop

Numeri 1:1-4:20

plaatje God vertelt Mozes om een ​​volkstelling te houden - een telling - van alle mensen die deel uit kunnen maken van het leger, en wel alle mannen in de leeftijd twintig tot zestig jaar. Elk van de twaalf stammen had een leider - een nassi - die Mozes hielp met het tellen.

Hieronder de lijst van de stammen en hun leiders, en het aantal mensen van elke stam.

De stam van Levi werd afzonderlijk geteld. Hier gaat het om alle mannen van één maand en ouder. Het waren er 22300.

Vervolgens wordt besproken hoe het volk van Israël zich legerde en reisde in de woestijn. Wanneer de Joden moesten optrekken, dan zouden de Levieten de Mishkan (Tabernakel) uit elkaar halen, het dragen naar de volgende legerplaats, en het weer opzetten.

Het kamp werd als volgt ingericht: In het centrum was de Mishkan. Rond de Mishkan was het kamp van de Levieten, verdeeld in drie groepen.

  1. De Kehatieten, die de voorwerpen van de Mishkan droegen (het altaar, ark, menorah, etc.), waren aan de zuidkant gelegerd.
  2. De Gersonieten, die de gordijnen en dakbedekkingen droegen, waren aan de westkant gelegerd.
  3. De zonen van Merrari, die de wanden en pilaren droegen, waren aan de noordkant gelegerd.
Aan de voorzijde van de Mishkan, de toegangsweg aan de oostkant, bevonden zich de tenten van Mozes, Aaron, en de zonen van Aaron.

Rond de Levieten was de rest van het volk van Israël gelegerd in vier groepen.

  1. Naar het oosten lagen Juda, Issaschar en Zebulon
  2. Naar het zuiden, Ruben, Simeon en Gad
  3. Naar het westen, Efraïm, Manasse en Benjamin
  4. Naar het noorden, Dan, Aser en Naftali.
Vervolgens wordt gesproken over de kinderen van Aaron, de Kohaniem (priesters) en de Levieten, die de dienst in de Mishkan deden. Oorspronkelijk werd van de eerstgeborenen van elke familie verondersteld dienst te doen, maar toen ze zondigden met het gouden kalf verloren ze dit voorrecht en in plaats daarvan werd het aan de Levieten gegeven.

Naar het Oosten
Stam
Juda
Issaschar
Zebulon
Leider
Nahesson
Nethaneël
Eliab
Aantal
74600
54400
57400
Naar het Zuiden
Stam
Ruben
Simeon
Gad
Leider
Elizur
Selumiel
Eljasaf
Aantal
46500
59300
45650
Naar het Westen
Stam
Efraim
Manasse
Benjamin
Leider
Elisama
Gamaliël
Abidan
Aantal
40500
32200
35400
Naar het Noorden
Stam
Dan
Aser
Naftali
Leider
Ahiëzer
Pagiël
Ahira
Aantal
62700
41500
53400

Bron: Bamidbar-Roundup

'En al de tellingen van de Levieten... van één maand en ouder waren tweeëntwintig duizend.' (Numeri 3:39)

Het blijkt uit de tellingen die in de parasja beschreven staan dat de stam van Levi de kleinste stam was.

Hiervoor zijn in de commentaren verschillende verklaringen gegeven. De gedachtengang van één van de verklaringen volgt hier. Toen Jacob naar Egypte afdaalde bedroeg zijn familie zeventig mensen. Tijdens de tweehonderdtien jaar in Egypte groeide de familie van Jacob op wonderbaarlijke wijze en zelfs tegen de verdrukking in: meer dan zeshonderd duizend mannen. De vrouwen en de kinderen zijn in deze telling niet meegerekend.

Het is vanuit de bronnen bekend dat alle stammen, behalve de stam van Levi, in Egypte slaven waren. (Rasji op Exodus 5:4). De wonderbaarlijke vermeerdering van het joodse volk was aan de verdrukking te danken. De stam van Levi groeide daarentegen op natuurlijke wijze en kwam op een totaal van slechts tweeëntwintig duizend uit. (Ramban/Nachmanides)

Gebaseerd op 'Bamidbar QandA, Moshe Bogomilsky, Chabad.org

Vragen Parasja Bamidbar Numeri 1:1 - 4:20

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Naso in een notendop

Numeri 4:21-7:89

naso De parasja begint met de voltooiing van de volkstelling die Mozes begon in parasja de laatste week (Bamidbar).

Hier, zegt God Mozes om de Levieten in de leeftijd van 30 tot 50 te tellen, omdat zij degenen zijn die de dienst van de uitvoering van de onderdelen van de Mishkan moeten doen. Hij telt in totaal 8580 mensen.

De familie van Gerson draagt ​​de gordijnen, de Mishkan, de bekledingen en de schermen voor de voorhof. De familie van Merari draagt ​​de planken en pilaren van de wanden en de familie van Kehat draagt ​​al de voorwerpen.

We lezen ook over een nazireeër - iemand die extra heilig wil zijn en er mee instemt bepaalde dingen te laten ook al zijn ze toegestaan. De nazireeër mag zijn haar niet knippen, geen wijn of druivensap drinken en zich niet verontreinigen door contact met een overledene.

Vervolgens vertelt God Mozes over een speciaal gebod dat Aäron en zijn zonen moeten nakomen: het volk van Israël te zegenen. Dat doen we nog steeds in de synagoge, aan het einde van de diensten op de hoogtijdagen - dit heet Birkat Kohaniem.

Het laatste wat de parasja ons vertelt is over hoe elke leider van een stam een offer brengt voor de inwijding van het altaar. Het offer gebracht door elk van hen is precies hetzelfde, maar de Tora herhaalt elk offer om te laten zien dat God elk aanbod als speciaal waardeert.

Bron: Naso-Roundup

Parasja Naso

'Dit zal de wet zijn voor de Nazireeër: op de dag dat zijn Nazireërschap vervuld is.......moet hij een offer aan HaSjem brengen......en een onbevlekt schaap in zijn eerste jaar als een zondoffer.....' (Numeri 6:13-14)

Behalve een brandoffer en een vredesoffer moest de Nazireeër op de dag van de vervulling van zijn Nazireërschap ook een zondoffer voor HaSjem brengen. Welke zonde heeft de Nazireeër begaan dat hij een zondoffer moest brengen?

Zoals bekend had de Nazireeër drie dingen op zich genomen: geen wijn te drinken, zich niet te verontreinigen aan een lijk en om zijn haar wild te laten groeien.

Wijn wordt op sjabbat, op feestdagen en op feestelijke aangelegenheden zoals een besnijdenis, een bar mitzvah en een bruiloft gedronken. Wijn is een teken van vreugde en van blijdschap. De Nazireeër verklaart met zijn onthouding van de wijn dat hij niet met anderen in hun vreugde wenst deel te nemen.

Bij het vermijden van aanraking met een lijk, blijft de Nazireeër afstandelijk en kan hij niet deelnemen aan het leed en verdriet van anderen.

Met het haar wild te laten groeien wekt de Nazireeër de indruk dat hij zorgeloos is ten opzichte van anderen. Mensen blijven uit zijn buurt omdat zij niet met iemand die er vreemd uitziet om willen gaan.

Al deze drie beperkingen van de Nazireeër veroorzaken terugtrekking uit de gemeenschap. Zo'n levensstijl wordt als zondig beschouwd en vereist vergiffenis.

Gebaseerd op: 'Naso Q and A, Moshe Bogomilsky, Chabad.org.'

Vragen Parasja Naso Numeri 4:21 - 7:89

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Beha'alotcha in een notendop

Numeri 8:1-12:16

kandelaar De parasja begint met de instructie voor Aaron om de Menorah (kandelaar) in de Mishkan (tabernakel) aan te steken. De Menorah had zeven takken gemaakt uit één brok massief goud volgens de vurige afbeelding, die God Mozes had getoond. Daarna lezen we hoe Mozes de Levieten opdraagt, om hun dienst te doen in de Mishkan. Iedere man uit de stam van Levi tussen de 20 en 50 jaar doen dienst in de Mishkan door de Kohanim (priesters) te helpen hun werk doen.

Enige achtergrond informatie over het volgende incident: Wat we hier lezen vond plaats in het eerste jaar van de Joden in de woestijn, nadat zij uit Egypte waren gekomen. Dus toen het einde van het eerste jaar naderde, moesten zij zich voorbereiden op hun eerste Pesach. Het belangrijkste onderdeel van de viering van Pesach is het brengen van een offer in de Mishkan - het Pesach offer (de Korban Pesach genoemd). Dus beveelt God in deze parasja de Joden zich voor te bereiden en het offer te brengen. Maar sommige van de mensen zijn onrein (tameh), omdat ze in contact zijn gekomen met een dood lichaam waardoor zij het offer niet kunnen brengen.

Nu, in plaats van te denken, "Oh, jammer, we zullen moeten wachten tot volgend jaar," zijn deze mensen echt van streek. Dus gaan ze naar Mozes en zeggen: "Waarom zouden we deze mitzvah (gebod) moeten missen? We willen ook de Korban Pesach offeren!" Mozes gaat hun vraag voorleggen aan God, om te weten wat ze moeten doen. En zie, God vertelt hen dat ze een tweede kans krijgen. Precies een maand na het Pascha zal er een Pesach sjeni - een Tweede Pesach zijn, waar iedereen die niet in staat was om de Korban Pesach op het juiste moment te brengen, nog een kans heeft om het te brengen. Dit is een zeer belangrijk verhaal, want het leert ons dat het nooit te laat is om een ​​goede daad te doen en dat we altijd een tweede kans krijgen.

Vervolgens lezen we iets over hoe de Joden rustten en zich legerden in de woestijn. Er was een "Wolk van Glorie" boven de Mishkan, dat de aanwezigheid van God vertegenwoordigde. Telkens als de wolk zich boven de Mishkan bevond, sloegen de Joden op die plaats hun kamp op. Als de wolk zich ophief, begonnen ze reizen, totdat zij weer naar beneden kwam op de Mishkan, dan stopten zij. God vertelde Mozes ook twee zilveren trompetten te maken. Verschillende tonen werden geblazen voor verschillende gelegenheden: wanneer Mozes met de leiders van de stammen wilde praten, wanneer het het tijd was om op te breken, wanneer Mozes het hele volk wilde verzamelen, wanneer de Joden ten strijde zouden trekken, wanneer er offers gebracht moesten worden op speciale feestdagen.

Elke nacht kwam manna naar beneden in de legerplaats, ​​en elke ochtend verzamelden de mensen dit en aten het. Maar nu, na een jaar, klaagden de mensen dat ze ziek van het eten van het manna waren en vlees wilden. God belooft hen vlees en de volgende dag strijken grote zwermen kwartels neer op het legerkamp, en hebben de Joden meer dan genoeg vlees te eten.

God vertelt Mozes zeventig mensen aan te wijzen om hem te helpen bij zijn werk; hij doet dit en deze zeventig mensen krijgen een deel van Mozes' geest.

Miriam zegt iets slechts over Mozes en ze wordt getroffen door de ziekte tsara'at - een soort melaatsheid. Ze moet zeven dagen buiten de legerplaats verblijven, en de Joden reizen gedurende deze zeven dagen niet verder.

Bron: Behaalotecha Roundup

Vragen Parasja Beha'alotcha Numeri 8:1 - 12:16

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Shelach in een notendop

Numeri 13:1-15:41

notendop Mozes stuurt twaalf spionnen naar het land Kanaän. Veertig dagen later komen ze terug, terwijl ze een grote tros druiven, een granaatappel en een vijg dragen, en brengen verslag uit over een weelderig en overvloedig land. Maar tien van de spionnen waarschuwen, dat de inwoners van het land reuzen en krijgers zijn "sterker dan wij"; alleen Caleb en Jozua houden vol dat het land overwonnen kan worden, zoals God het heeft bevolen.

Het volk jammert dat ze liever terugkeren naar Egypte. God besluit daarop dat het binnengaan van Israël in het land veertig jaar wordt uitgesteld, gedurende welke tijd die hele generatie uit zal sterven in de woestijn. Een groep berouwvolle joden bestormen de berg aan de grens van het land, en worden verpletterd door de Amalekieten en Kanaänieten.

De wetten van de Menachot (meel, wijn en olie offers) worden gegeven, evenals het gebod om een ​​deel van het deeg (challah), bij het maken van brood, aan God te wijden. Een man schendt de Shabbat door hout te sprokkelen, en wordt ter dood gebracht. God instrueert om franjes (tzitzit) op de vier hoeken van onze kleding te plaatsen, zodat we niet vergeten om de mitswot (goddelijke geboden) te vervullen.

Bron: Shelach in a Nutshell

Vragen Parasja Sjelach Numeri 13:1-15:41

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Korach in een notendop

Numeri 16:1-18:32

staf In deze parasja lezen we over een triest maar belangrijke verhaal dat zich heeft voorgedaan tijdens het verblijf van het Joodse volk in de woestijn. Sommige jaloerse en kwade mensen probeerden het leiderschap van Mozes uit te dagen, en het rampzalige resultaat leerde al de Joden een belangrijke les.

Korach, naar wie de parasja wordt genoemd, is uit de stam van Levi, dus hij heeft de eer de Kohaniem (priesters) te helpen bij het dragen van de delen van de Mishkan (tabernakel) tijdens het reizen door de woestijn. Maar voor hem is dit niet genoeg; hij is jaloers op Aaron, omdat hij ook een priester wil zijn. Zo krijgt hij een groep mensen aan zijn kant - Dathan en Aviram, de gebruikelijke herrieschoppers, On, de zoon van Peleth, en tweehonderd en vijftig anderen - en hij gaat bij Mozes en Aäron klagen, zeggend: "Waarom zouden jullie twee de leider en de hogepriester zijn? Is niet iedere Jood speciaal? Waarom denk je dat je beter dan alle anderen bent?"

Om te bewijzen dat ze echt waard zijn Kohaniem te zijn, bereiden Korach en zijn mannen het wierookoffer (ketoret) om die in de Mishkan te brengen. Aaron bereidt ook een offer, en beiden staan ze met hun pannen buiten de Mishkan. Plotseling opent de aarde zich en verslond hen die tegen Mozes waren - Korach, Dathan en Aviram - en een vuur verteert alle 250 mensen die probeerden om een wierookoffer brengen.

Alle Joden zagen dit gebeuren en het is voor iedereen duidelijk dat Mozes de echte leider is, door God aangesteld, en dat het alleen een Kohen - Aaron en zijn zonen - is toegestaan ​​om het Ketoret offer te brengen. Maar toen sommige van de Joden nog klaagden, brak er een plaag uit. Aaron haast zich een Ketoret offer te brengen als verzoening voor de mensen en de plaag stopt.

God doet nog een wonder om te bewijzen dat Aaron's familie de enige ware Kohaniem zijn. De staf van Aaron - de stok die hij steeds bij zich had - begon op wonderbaarlijke wijze bloesems en amandelen voort te brengen. Als iedereen ziet dat deze dode stok plotseling uitspruit, is het duidelijk dat Aaron de door God gekozen Kohen is.

Bron: Korach-Roundup

Vragen Parasja Korach Numeri 16:1-18:32

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Chukat in een notendop

Numeri 19:1-22:1

chukat De Tora is niet geschreven in de volgorde waarin gebeurtenissen plaatsvonden, en de parasja van deze week springt naar het einde van de veertig jaar in de woestijn, het 38e jaar, om precies te zijn. We leren over een speciale mitswa (gebod) waardoor een Jood die tameh, onrein is weer rein kan worden en dus ​in de Mishkan mag komen. Dit is het gebod van de Parah adumah, de rode koe. Als iemand onrein wordt door contact met een dood lichaam, kan de as van de Parah adumah, samen met cederhout, een tak hysop, en wol, hem reinigen.

Als het volk van Israël aangekomen is in de woestijn Zin overlijdt Mirjam, en droogde de bron van water op, die ze altijd had vanwege haar verdienste. Dus hadden de mensen geen water meer en klaagden daarover bij Mozes. God zei Mozes dat hij de rots moest toespreken en zeggen dat het water voort moest brengen. Maar Mozes sloeg in plaats daarvan met een stok op de rots, en het water gutste eruit. God zei Mozes, dat omdat hij niet precies zijn instructies had opgevolgd, hij niet het beloofde Land van Israël kon binnengaan.

De Joden wilden verder reizen in de richting van Israël, en daarom zonden zij boden naar de koning van Edom met de vraag of zij door het land van Edom mochten trekken, dat op hun route lag. De koning antwoordde dat zij niet door zijn land mochten, en wanneer ze dat probeerden, zou hij iedereen vermoorden. De Joden zeiden dat ze noch voedsel noch water zouden nemen, maar dat ze gewoon de weg zouden nemen om naar de andere kant te komen, maar de koning bleef bij zijn besluit. Dus de Joden moesten een langere route nemen en om het land van Edom trekken.

God vertelde Mozes om Aaron en zijn zoon Elazar mee te nemen naar de berg genaamd de berg Hor. Daar nam Mozes de kleding van Aaron en gaf die aan Elazar, en Aaron ging liggen en stierf. Toen de Joden alleen Mozes en Elazar naar beneden zagen komen, realiseerden ze zich dat Aaron was overleden, en iedereen begon te huilen. Ze rouwden 30 dagen.

De extra lange reis rond het land van Edom ontmoedigde de Joden, en ze klaagden weer bij Mozes. Vervolgens vielen giftige slangen het kamp aan, ​​en God zei Mozes een koperen slang hoog op een paal te zetten. Iedereen die gebeten was en naar de koperen slang van Mozes keek werd vervolgens genezen.

De Joden zingen een danklied voor God voor de bron die hen in de woestijn van water voorziet.

Nu bereiken de Joden een ander land dat ze moeten passeren. Dus sturen ze een bericht naar Sichon, de koning van de Amorieten, om door zijn land te mogen gaan. Deze keer, zegt Sichon niet alleen nee, maar hij trok op om de Joden te beoorlogen. Ze vochten terug en wonnen, en verkregen al zijn drie landen. Dan kwam Og, koning van Bazan, om met de Joden te vechten en de Joden wonnen en ook veroverden zij zijn land.

Bron: Chukat Roundup

Vragen Parasja Chukat Numeri 19:1-22:1

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Balak in een notendop

Numeri 22:2-25:9

Balak In de vorige parasja lazen we over hoe en wanneer andere landen de Joden aanvielen, en dat ze werden verslagen en hun land veroverd werd. In de parasja van deze week leren we dat Balak, de koning van Moav, heeft gezien wat er met die andere volken is gebeurd en daarom is hij doodsbang. Maar hij weet, dat wanneer hij probeert om tegen de Joden te vechten, hij zal verliezen. Dus bedenkt hij een beter plan. Hij zal een profeet inhuren om de Joden te vervloeken, en dan zal hij in staat om over hen te zegevieren.

Hij huurt Bileam, een niet-joodse profeet, om de Joden te vervloeken, en Bileam zadelt zijn ezel en gaat op reis. God stuurt een engel op zijn pad, die de ezel van Bileam blokkeert. Bij het zien van de engel, gaat hij van de weg af om de engel te omzeilen. Bileam, die de engel niet ziet, slaat de ezel omdat die van de weg afgaat. De ezel opent dan haar mond en begint tot Bileam te spreken en vraagt waarom hij haar slaat! Dan ziet Bileam de engel die hem vertelt dat hij moet weten, dat hij niet in staat zal zijn om de Joden te vervloeken en alleen maar in staat zal zijn om te zeggen wat God hem toestaat.

Zo komt Bileam aan op zijn bestemming. Koning Balak en alle hoogwaardigheidsbekleders zijn aanwezig, wachtend op Bileam, om de Joden te vervloeken. Bileam begint te spreken, en in plaats van de Joden te vervloeken, zegent hij hen! Balak zegt tegen Bileam, "Wat heb je gedaan?! Ik huurde je in om de Joden te vervloeken, en in plaats daarvan zegen je ze!" Bileam antwoordde dat hij alleen de woorden kan zeggen die God hem in zijn mond geeft.

Balak neemt Bileam mee naar een andere berg, in de hoop dat een verandering van plaats hem in staat zal stellen om meer succesvol te zijn in het vervloeken van de Joden. Maar toen Bileam weer begon te spreken, sprak hij zelfs meer zegeningen uit! Deze keer zegt Balak gewoon: "Genoeg! Zegen ze niet en vervloek ze niet. Zeg helemaal niets meer!" Maar Balak wil dat het echt werkt, dus gaan ze naar een laatste plaats. Er wederom opent Bileam zijn mond en weer kwamen er zegeningen.

Uiteindelijk werd Balak echt boos en zei: "Ik huurde je in om mijn vijanden te vloeken, en in plaats daarvan heb je ze drie keer gezegend!" Bileam antwoordde dat hij alleen maar de woorden kan zeggen die God hem zegt en dan eindigt hij met een profetie over de tijd van de Messias.

Helaas, begonnen de Joden toen te zondigen door afgoden te dienen en contact te hebben met niet-joodse vrouwen. Een man genaamd Zimri neemt een Midjanitische vrouw naar zijn tent, en een felle plaag begint zich te verspreiden, waardoor veel Joden worden gedood. Pinchas, de kleinzoon van Aaron, weet wat hij doen moet. Hij neemt zijn speer en doodt Zimri en de vrouw, en de plaag stopt.

Blijf op de hoogte. Volgende week horen we over de beloning van Pinchas voor deze heldendaad.

Bron: Balak Roundup

Vragen Parasja Balak Numeri 19:1-22:1

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Pinchas in een notendop

Numeri 25:10-30:1

Pinchas In de vorige parasja lazen we hoe Pinchas een felle plaag, die vele Joden had gedood, stopte. In de parasja van deze week lezen we over zijn beloning: God gaat met hem een ​​speciaal verbond van vrede aan en benoemt hem tot Kohen, een priester.

Na de plaag, vertelt God aan Mozes alle mannen in de leeftijd tussen 20 en 60 jaar te tellen Dit zijn de mannen die een deel van het Heilige Land zullen ontvangen. Het totale aantal is 601730. God vertelt Mozes ook hoe het land zal worden verdeeld tussen de twaalf stammen. De stam van Levi wordt apart geteld, omdat het geen deel van het Heilige Land ontvangt, omdat zij God in de Heilige Tempel, de Bet HaMikdash, zullen dienen. De stam van Levi omvat 23.000 mannen.

Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza, de vijf dochters van Tzelafead van de stam van Manasse, stellen Mozes een belangrijke vraag. Hun vader was overleden zonder zonen, en volgens de toenmalige wet zou hun familie geen recht op een deel van het land van Israël ontvangen. Daarom vroegen ze Mozes om een deel van het land van hun vader aan hen te geven. Mozes vroeg God wat te doen en God zei dat de dochters van Tzelafead gelijk hebben en dat ze een deel van het land moeten krijgen. God voegt vervolgens een wet toe aan de Tora wetten van overerving, namelijk dat, wanneer een man overlijdt zonder zonen na te laten, de erfenis zou worden gegeven aan zijn dochters.

God vertelt Mozes om de berg Avarim op te gaan, vanwaar hij de hele Heilige Land kan zien voordat hij overlijdt. Daarna, legt Mozes zijn hand op Jozua Ben Nun ten overstaan van het Joodse volk, waaruit blijkt dat hij de nieuwe leider zal zijn.

De parasja van deze week eindigt met een overzicht van de dagelijkse offers, alsmede de extra offers die gebracht werden op Sabbat, Rosh Chodesj (Nieuwe Maan) Pesach, Sjavoeot (Wekenfeest), Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest) en Shemini Atzeret (Slotfeest).

Bron: Pinchas Roundup

Vragen Parasja Pinchas, Numeri 25:10-30:1

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Mattot in een notendop

Numeri 30:2-32:42

Jordaan Heb je ooit beloofd om iets te doen en je belofte niet nagekomen? In deze parasja, vertelt de Tora ons heel voorzichtig te zijn bij het doen van beloftes, zodat we ze niet per ongeluk niet nakomen. In plaats iets te beloven moeten we zeggen: "Ik hoop dat ik kan..."

Vorige week, we lazen we hoe Pinchas Zimri en de Midjanitische vrouw doodde toen ze, tegen Gods wil, probeerden te trouwen. God beveelt nu het Joodse volk om oorlog te voeren tegen de Midianieten. Mozes kiest 1.000 mannen uit elk van de twaalf stammen om als soldaten te dienen en benoemt Pinchas als één van de leiders van het leger. Wanneer de Midianieten het joodse leger zien komen om hen te bestrijden, lachen ze en zeggen: "Het joodse leger is zo klein, dat zullen we zeker winnen!" Echter, met Gods hulp, is het joodse leger overwinnaar over de Midianieten zonder ook maar één soldaat te verliezen.

Na de oorlog benaderen, twee stammen, Ruben en Gad, Mozes met een ​​verzoek. Ze vragen hem of ze zich met hun families aan de oostkant van de Jordaan mogen vestigen in plaats van de rivier over te steken en het land van Israël binnen te gaan.

Je kunt je afvragen: "Waarom willen ze niet met de rest van het joodse volk het land van Israël binnentrekken?" Wel, deze twee stammen hadden veel vee. Ze hadden gemerkt dat het land ten oosten van de Jordaan zeer vruchtbaar was, en rijk was aan groen gras om hun vee te laten grazen. Ook wisten zij dat Mozes niet zou worden begraven in het land van Israël en dus wilden ze in de buurt van de begraafplaats van Mozes blijven.

Eerst wordt Mozes erg boos. Hij vraagt hen: "Willen jullie hier blijven, veilig en beschermd, terwijl jullie broeders ten strijde gaan om het het land van Israël te veroveren?" Toen de stammen hun verzoek verduidelijkten, door te zeggen dat ze graag met hun broeders in de strijd mee wilden doen, ging Mozes akkoord dat zij zich aan de oostzijde van de Jordaan zouden vestigen. Toen Mozes akkoord ging, voegde de helft van de stam van Manasse zich bij de stammen van Ruben en Gad toen die zich vestigden in het land ten oosten van de rivier de Jordaan.

Bron: Matot Roundup

Vragen Parasja Matot en Masee, Numeri 30:2:-36:13

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Parasja Massee in een notendop

Numeri 33:1-36:13

De parasja van Massei begint met een opsomming van alle 42 pleisterplaatsen die de Joden aandeden op hun tochten door de woestijn. Na die lange lijst, lezen we wat de grenzen, volgens de Tora, van Israël zijn.

De parasja bespreekt een zeer interessante mitswa (gebod) voor de mensen die in het land van Israël gaan wonen (we vervullen dit gebod tegenwoordig niet). Ze moeten zes "vrijsteden" in het Land van Israël bouwen. De steden dienden als een veilige plek voor iedereen die per ongeluk iemand anders had gedood. Bijvoorbeeld als Karel bezig was een boom om te hakken en deze uiteindelijk op iemand viel waardoor die werd gedood. Hij kon dan naar één van de vrijsteden gaan. Eénmaal daar, kon niemand van de familieleden van de man die werd gedood zich wreken op Karel. Hij zou daar veilig zijn.

Dit is het laatste deel in het vierde boek van de Tora. Volgende week beginnen we met het vijfde en laatste boek, Deuteronomium.

Bron: Massei-Roundup

Vragen Parasja Matot en Masee, Numeri 30:2:-36:13

Sjabbat sjaloom

Jaïr

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Numeri in een Notendop is voltooid.