BSD

Wie was de profeet Maleachi?

Maleachi

Er zijn weinig gegevens over de profeet Maleachi bekend.

Wel weten we dat hij lid was van de Anshei Knesset HaGedolah, de Grote Vergadering die elkaar ontmoetten in de Heilige Tempel in Jeruzalem aan het begin van de Tweede Tempel era. 1)

We weten ook dat hij een van de laatste drie profeten was die behoorden tot het tijdperk van de profeten. De andere twee waren Hagaï en Zacharia. 2)

De Bijbelse commentator, Rabbi Avraham Ibn Ezra (1089 (?) - 1164), zei dat dit was omdat er geen profeten meer na hem zouden komen zoals hij heeft gezegd in Maleachi 4:4: "Houd in gedachtenis de leer van Mozes, mijn knecht." 3)

De profetische geschriften sluiten met één van de meer bekende profetieën van Maleachi, namelijk dat de profeet Elia het Messiaanse tijdperk zal inluiden (4:5): "Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en ontzagwekkende dag van Hashem komt."

Er is een minderheidsstandpunt in de Talmud dat zegt dat Maleachi eigenlijk Ezra, de Schrijver was. Een andere mening is dat hij Mordechai was uit het verhaal van het boek Esther (Purim). 4) De mening van de meerderheid van de wijzen in de Talmoed is echter dat Maleachi gewoon Maleachi was. 5)

Voetnoten

1) Talmoed, Bava Batra 15a en Megillah 17b.
2) Talmoed, Bava Batra 14b en Yuma 9b.
3) Commentaar op Malachi 1: 1.
4) Ibid.
5) Talmud, Megilla 15a. Dit wordt ook op grote schaal door de Bijbelse commentatoren aanvaard.

Door Rochel Chein. Bron: Who Was the Prophet Malachi

In bewerking: onderstaand een eigen vertaling uit het Hebreeuws van Maleachi.

Hoofdstuk 1

1. De openbaring van het woord van Hashem tot Israël door de hand van Maleachi.
2. IK heb jullie lief gehad, zegt Hashem, maar jullie zeggen: Hoe heb Jij ons liefgehad? Is Ezau niet de broer van Jacob. zegt Hashem, en IK heb Jacob lief!
3. Maar IK haatte Ezau, en IK maakte zijn beregen tot een woestenij en zijn erfdeel aan de woestijn slang. 4. en wanneer Edom zal zeggen wij zijn verbrijzeld, maar wij zullen terugkeren en de ruines opbouwen;zo zegt Hashem Tzebaoth: zij zullen bouwen maar IK zal afbreken: en het zal genoemd worden het gebied van de goddelozen en het volk dat Hashem voor eeuwig vervloekt.
5. En jullie ogen zullen zien en jullie zullen zeggen, Hashem is groot over het grondgebied Israël.
6. Een zoon zal zijn vader eren em een knecht zijn heer, wanneer ik een Vader ben, waar is mijn eer, en wanneer ik jullie Heer ben, waar is de vrees voor Mij, zegt Hashem Tzebaoth tegen jullie priesters die mijn naam verachten. En jullie zeggen waarmee verachten wij uw naam.
7. Jullie brengen onrein voedsel op mijn altaar en jullie zeggen waarmee verontreinigen wij U? Doordat jullie zeggen de tafel van Hashem is verachtelijk.
8. Wanneer je een blind dier op het altaar brengt, is dat niet erg? En als je een kreupel of ziek beest offert, is dat niet erg? Bied dat eens je landvoogd aan, of hij welgevallen aan jou zal hebben of goedgezind zal zijn, zegt Hashem Tzebaoth.
9. En nu, ik bid je, smeek God, dat Hij genadig is over ons, dit is uit jullie hand, zal Hij jullie goedgunstig zijn, zegt Hashem Tzebaoth.
10. Wie ook van jullie zal de deuren sluiten? En jullie niet tevergeefs mijn altaar ontsteken? Ik heb geen welgevallen aan jullie, zegt Hashem Tzebaoth, en Ik neem geen offer uit jullie hand aan.
11. Want vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat is mijn Naam groot onder de heidenen en in elke plaats waar reukwerk in rook opgaat voor mijn Naam en reine meeloffers: groot is mijn Naam onder de heidenen, zegt Hashem Tzebaoth.
12. Want jullie ontheiligen het door jullie spreken: de tafel van Hashem is onrein en de vrucht van hun lippen: zijn spijs is verachtelijk.
13. En jullie zeggen: zie wat een overlast, jullie halen er je neus voor op, zegt Hashem Tzebaoth en jullie brengen het gestolene en het lamme en het zieke en jullie brengen het als offer, moet ik dat accepteren uit jullie hand, zegt Hashem.
14. Vervloekt is de bedrieger, die in zijn kudde een mannelijk dier heeft en dat belooft, maar een ondeugdelijk (dier) aan de Heer offert, want IK ben een grote koning, zegt Hashem Tzebaoth, en mijn Naam is geducht onder de volkeren.

Hoofdstuk 2

1. En nu: dit gebod is voor jullie priesters!
2. En indien jullie niet willen horen en het niet ter harte neemt en mijn naam eer te geven, zegt Hashem Tzebaoth, zal Ik de vloek over jullie zenden en Ik zal jullie zegeningen vervloeken, ja Ik heb ze al vervloekt, want jullie nemen het niet ter harte.
3. En zie Ik zal vanwege jullie het zaad bederven en IK strooi mest op jullie gezichten en mest van jullie feesten en jullie zullen het dragen.
4. En jullie zult weten, dat Ik jullie dit gebod gezonden heb, dat mijn verbond met Levi zal zijn, zegt Hashem Tzebaoth.
5. Mijn verbond met hem was leven en vrede en ik gaf deze aan hem voor de vrees waarmee hij Mij vreest en bang was voor mijn Naam.
6. De leer van de waarheid was in zijn mond en onrecht werd niet gevonden op zijn lippen; in vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij terug van ongerechtigheid.
7. Want de lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht, want een boodschapper van Hashem Tzebaoth is hij.
8. Jullie zijn afgeweken van de weg, jullie hebben veel mensen laten struikelen door jullie onderwijzing en jullie corrumpeerden het verbond van Levi, zegt Hashem Tzebaoth.
9. En ook maak Ik jullie tot verachtten en vernederden voor al het volk, want jullie hebben niet mijn wegen bewaard en bij het onderricht in de wet de persoon aanziet.
10. Is het niet dat wij allen één Vader hebben, is er niet één God die ons schiep? Waarom handelt een man trouweloos tegen zijn broeder, en ontheiligt hij het verbond van onze vaderen?
11. Juda heeft trouweloos gehandeld en in Israël en Jeruzalem is iets verfoeilijks gedaan, want Juda heeft het heilige van Hashem, dat Hij liefheeft ontheiligd, en heeft de dochter van een vreemde god getrouwd.
12. Hashem zal uitroeien de man die dit gedaan heeft, wie hij ook zij; uit de tenten van Jakob, ook al brengt hij een offer aan Hashem Tzebaoth.
13. In de tweede plaats doet gij dit, het altaar van Hashem bedekken met tranen, met huilen en met zuchten, zodat Hij zich niet meer tot het offer wendt,of het met welgevallen uit jullie hand te nemen.
14. En jullie zeggen: Waarom? Omdat Hashem getuige was tussen jou en de vrouw van je jeugd, die jij trouweloos behandeld hebt, terwijl zij toch je metgezel is en je wettige echtgenote.
15. En niet één deed zo, e n toch was in hem een overblijfsel van de geest. En wat zoekt de één?Goddelijk zaad! Weest dan op jullie hoede voor jullie hartstocht en wees niet trouweloos jegens de vrouw van he jeugd.
16. Want Ik haat de echtscheiding, zegt Hashem de God van Israël, en dat men zijn gewaad met gewelddadigheid bedekt, zegt Hashem Tzebaoth, en weest op jullie hoede voor jullie hartstocht en weest niet ontrouw.
17. Jullie hebben Hashem vermoeid met jullie woorden, maar jullie zeggen waarmee hebben wij U vermoeid? Doordat jullie zeggen: iedereen die kwaad doet is goed in de ogen van Hashem en heeft een welgevallen aan hen. Waar is dus de God van het recht?

Hoofdstuk 3

1. Zie Ik zend mijn bode om de weg voor Mij te bereiden en plotseling komt naar
zijn tempel Hashem die jullie zoeken, de bode van het verbond, waar jullie naar uitzien, zie hij komt zegt Hashem Tzebaoth.
2. Wie zal de dag van zijn komst verdragen en wie zal bestaan wanneer hij
verschijnt, want hij is als een vuur van een smelter en als het loog van de bleker.
3. En hij zal zitten om het zilver te smelten en te reinigen, en hij zal de kinderen van Levi reinigen en hen louteren als goud en als zilver, opdat zij Hashem in gerechtigheid een offer brengen.
4. Dan zal het offer van Juda en Jeruzalem aangenaam zijn voor Hashem, als in de dagen van weleer en vroegere jaren.
5. En Ik zal tot jullie naderen om te oordelen, en Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars en tegen de echtbrekers en tegen hen die vals zweren en die het loon van de dagloner drukken en de weduwe en de wees en de vreemdeling onrecht aandoen en Mij niet vrezen, zegt Hashem Tzebaoth.
6. Want Ik Hashem, Ik ben niet veranderd en jullie, zonen van Jakob, zijn niet verteerd.
7. Sinds de dagen van jullie voorouders hebben jullie je afgekeerd van mijn wetten en jullie hebben ze niet onderhouden. Keer terug naar Mij en Ik zal naar jullie terugkeren zegt Hashem Tzebaoth en jullie zeggen waarin moeten wij terugkeren?
8. Zal een mens God beroven? Toch beroven jullie Mij. En jullie zeggen: waarin beroven wij U? In de tienden en de offers.
9. Met een vloek zijn jullie vervloekt en jullie beroven mij, zelfs het hele volk.
10. Breng de hele tiende in mijn huis en test mij toch hiermee, zegt Hashem Tzebaoth, of Ik niet voor jullie zal openen de vensters van de hemel en Ik over jullie zal uitgieten een zegen zonder eind.
11. IK zal de verslinder voor jullie berispen, zodat hij niet de vruchten van het land voor jullie zal verderven, opdat de wijnstok op het veld voor jullie vrucht zal zijn, zegt Hashem Tzebaoth.
12. Alle volkeren zullen jullie gelukkig prijzen, want jullie zullen een verrukkelijk land zijn, zegt Hashem Tzebaoth.
13. Vermetel zijn jullie woorden tegen Mij, zegt Hashem, maar jullie zeggen hoe hebben wij tegen U gesproken.
14. Jullie zeiden het is nutteloos God te dienen. Wat is de winst, dat wij zijn geboden in acht genomen hebben, en dat wij in rouwkleding zijn gegaan voor Hashem Tzebaoth.
15. En nu noemen wij de overmoedigen gelukkig, ook worden de kwaaddoeners gebouwd, ook testen zij God en zij ontkomen.
16. Dan spreken zij die Hashem vrezen, ieder tot zijn naaste en Hashem luisterde en hoorde en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor die Hashem vrezen en zijn naam in gedachten houden.
17. En zij zullen van Mij zijn, zegt Hashem Tzebaoth. En op die dag maak Ik hen tot een persoonlijk eigendom en ontferm Ik mij over hen, zoals een man zich over zijn zoon ontfermt, die hem dienst.
18. Dan zullen jullie terugkeren en jullie zullen het verschil zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen iemand die God dient en die Hem niet dient.

In de Nederlandse Bijbel vertaling begint hierna het vierde hoofdstuk, dit in tegenstelling met de Hebreeuwse tekst, die gewoon verder gaat met vers 19 en volgend.

19. Want zie de dag komt brandend als een oven en dan zullen alle overmoedigen en alle boosdoeners als stoppels zijn en die komende dag zal hen in brand steken, zegt Hashem Tzebaoth, die van hen geen wortel en tak zal overlaten.
20. Voor jullie die mijn Naam vrezen, zal de zon der gerechtigheid schijnen, en er zal genezing zijn onder haar vleugels en jullie zullen uitgaan en jullie zullen springen als vetgemeste klaveren uit een stal.
21. En jullie zullen de goddelozen vertrappen, want zij zullen as zijn onder de zolen van jullie voeten op de dag die Ik maak, zegt Hashem Tzebaoth.
22. Herinner je de Torah van Mozes mijn knecht, die Ik hem gebood op de Horeb voor heel Israël, met geboden en verordeningen.
23. Zie, Ik zal jullie Elia de profeet zenden, voor de grote en geduchte dag van Hashem komt.
24. En hij zal het hart van de vaderen terug voeren naar de zonen, en het hart van de zonen naar de vaderen, opdat Ik niet kom en het land tref met volslagen vernietiging.

EINDE

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.