BSD

De profeet Jona

Jona's vlucht

Jona Eén van de grootste profeten in de tijd van Jerobeam II was Jona, de zoon van Amitai, die, als een profeet, Jehu had gezalfd en die daarom welwillendheid van de koning genoot. Eens gebood God Jona om naar Ninevé, één van de grootste steden van die tijd, te gaan om de vernietiging te voorzeggen, omdat het kwaad van haar inwoners de limiet had bereikt. De missie was echter niet naar Jona's wens. Ninevé was een bittere vijand van Israël, en Jona had graag de vernietiging gezien. Als hij zou slagen in zijn missie en Ninevé zou worden gespaard, zou het een constante bedreiging voor Israël blijven. Jona besloot daarom om te ontsnappen aan deze missie. Hij ging aan boord van een schip dat naar Tarsis voer, in de hoop om zo zijn missie te vergeten. Zodra de profeet op volle zee was, veroorzaakte God een storm die dreigde het schip in stukken te breken. De zeelieden werden bang en elk bad tot zijn god. Jona echter lag vast te slapen. De kapitein van het schip, ging bij het zien van de slapende man, naar hem toe en berispte hem voor zijn slapen in dit noodlottige uur, in plaats van tot God te bidden. Ondertussen trokken de zeelieden het lot om uit te vinden wiens schuld het was dat dit ongeluk over hen was gebracht. Het lot viel op Jona. Toen de zeelieden hem vroegen wie hij was, waar hij vandaan kwam, en wat zijn beroep was, vertelde hij hen dat hij een Jood, en een dienaar van God, de Schepper van hemel en aarde, was. Toen vroegen de matrozen wat ze moesten doen om de woeste zee tot bedaren te brengen en hun schip met alles wat aan boord was te redden. Jona antwoordde dat alles wat ze moesten doen was hem overboord te zetten, dan zou de storm onmiddellijk gaan liggen, want die was veroorzaakt door zijn weigering om het bevel van God te gehoorzamen. In eerste instantie wilden de zeelieden niet doen wat Jona gevraagd had. Maar de storm werd steeds heviger en het einde was schijnbaar onvermijdelijk. Met grote tegenzin, gooiden de matrozen Jona over boord en de storm ging direct liggen.

Zodra Jona in zee lag, zond God een grote vis die Jona levend inslikte. Drie dagen en drie nachten bleef Jona in de vis. In nood, bad hij tot God om hem te redden, en God beval de vis Jona uit te spugen op het droge.

Jona in Ninevé

Opnieuw beval God Jona naar Ninevé te gaan om de goddelijke boodschap over te brengen. Dit keer reisde de profeet naar Ninevé voor het uitvoeren van zijn opdracht. Bij zijn aankomst in de stad, liep Jona in het midden van de drukke doorgaande weg en kondigde aan dat de stad over veertig dagen om zou komen. De ernstige waarschuwing van de profeet elektrificeerde de stad. De bewoners geloofden de profetie en bekeerden zich. Zij vastten en droegen rouwkleding; zelfs de koning trok zijn koninklijke gewaden uit en deed rouwgewaden aan. Iedereen in de stad besloot eerlijk en oprecht om zijn slechte verleden achter zich te laten. Alle mensen probeerden echt hun leven te beteren. Ten onrechte verworven bezittingen werden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaars, en onjuiste oordelen werden herzien. God zag dat ze oprecht waren in hun berouw en aanvaardde dit. Ninevé was gered.

Jona was bedroefd door deze verandering van de gebeurtenissen. Hij had gehoopt dat de ondergang van Ninevé, wanneer de inwoners van die stad zich niet hadden bekeerd, zijn volk Israël voor altijd één van zijn bittere vijanden zou zijn kwijt geraakt. Hij bouwde zich een hut buiten de stad om het leven van een kluizenaar te leven. Jona was benieuwd om te weten wat het lot van de stad zou zijn. Het was een zeer warme dag, en God liet een plant groeien om Jona schaduw te geven en om hem te beschermen tegen de stekende hitte van de zon. Jona was dolblij met die plant. Toen stuurde God een worm die de plant stak waardoor hij verdorde. Toen de bescherming van de plant niet meer bestond, brandde de zon genadeloos op Jona's hoofd totdat hij zwak werd en wilde sterven. Toen hoorde de vermoeide profeet God's woorden: "Jij hebt medelijden met de plant waarvoor je geen moeite hoefde te doen, noch haar liet groeien, die in één nacht kwam om in de volgende nacht te verdwijnen, zal Ik dan niet, Ninevé, de grote stad, waarin meer dan twaalf keer tienduizend mensen wonen, die niet weten hoe te onderscheiden tussen hun rechter- en hun linkerhand (dwz kinderen), en daarenboven veel dieren, sparen? "1)

1) Het verhaal van de profeet Jona werd opgenomen in het boek Jona, dat deel uitmaakt van de Bijbel, en elk jaar in de synagoge op de Grote Verzoendag wordt gelezen. Zijn krachtige boodschap is een actuele herinnering aan God's genade aan allen die oprecht naar Hem terugkeren.

Door Jacob Isaacs. Bron: The Prophet Jonah

Het bijbelboek Jona

Onderstaand een eigen vertaling uit het Hebreeuws van Jona.

Hoofdstuk 1

  1. En het woord van Hashem kwam tot Jona, de zoon van Amitai zeggende:
  2. “Sta op en ga naar Ninevé, de grote stad, en zeg tegen haar: jullie boosheid is voor Mij opgestegen.”
  3. En Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van Hashem en hij daalde af naar Jaffo en hij vond een schip dat naar Tarsis ging en betaalde voor de reis en ging scheep om met hen naar Tarsis te gaan, weg van voor Hashem.
  4. Maar Hashem wierp een geweldige wind op de zee, en er was een geweldige storm op de zee, en het schip dreigde te breken.
  5. En de zeelieden vreesden en schreeuwden ieder tot zijn god, en zij wierpen de lading van het schip in zee om het daardoor lichter te maken. Maar Jona was afgedaald in het ruim van het schip, legde zich neer en viel in een diepe slaap.
  6. En de schipper kwam naar hem toe en zei tegen hem “wat lig je daar te slapen. Sta op en roep tot je God, misschien wil God ons gedenken, zodat we niet te gronde gaan.
  7. En de één zei tegen zijn buurman, “kom op laten we het lot werpen, zodat we weten door wie dit kwaad over ons is gekomen.” En zij wierpen het lot en het lot viel op Jona.
  8. Zij zeiden tot hem: “vertel ons toch wie is de oorzaak van dit kwaad over ons, wat is je beroep, waar kom je vandaan, wat is je land en van welk volk ben je?”
  9. En hij zei tot hen: “ik ben een Hebreeër en ik vrees Hashem, de Elokim van de hemel, die de zee en het droge maakte.“
  10. En de mensen vreesden met grote vreze en zij zeiden tot hem: “wat heb je gedaan?”, want de mannen wisten dat hij vluchtte voor Hashem, want hij had hun dit verteld.
  11. En zij zeiden tot hem: “wat moeten wij met je doen, opdat de zee voor ons kalm zal worden”, want de zee ging te keer.
  12. En hij zei tot hen: “neem mij op en werp mij in de zee en de zee zal voor jullie rustig worden, want ik weet dat vanwege mij deze heftige storm over jullie is gekomen.
  13. Maar de mannen roeiden om weer terug te keren naar de kust, maar zij konden niet want de zee ging tegen hen tekeer.
  14. Toen riepen ze tot Hashem en zeiden: “ach Hashem, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man en doe geen onschuldig bloed over ons komen, want U Hashem doet wat U wilt.”
  15. En zij tilden Jona op en wierpen hem in de zee en de zee hield op met woeden.
  16. En de mannen vreesden Hashem met grote vreze en zij slachten een slachtoffer voor Hashem en zij legden geloften af.
  17. En Hashem beschikte een grote vis om Jona op te slokken en Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis.

Hoofdstuk 2

  1. En Jona bad tot Hashem, zijn Elokim, vanuit de buik van de vis.
  2. En zei: ”ik riep in mijn angst tot Hashem en Hij antwoordde mij en ik schreeuwde om hulp uit de schoot van het dodenrijk en U hoorde mijn stem.
  3. U wierp mij in de diepte, in het hart van de zee, stromen omringden mij, al uw brandingen en golven sloegen over mij heen.
  4. En ik dacht, ik ben voor uw ogen verdreven, zeker zal ik uw heilige tempel weer aanschouwen.
  5. Water omgaf mij tot de lippen, de diepte omringde mij, zeewier was om mijn hoofd gebonden.
  6. Ik daalde af naar de fundamenten van de bergen, de aarde en haar grendels zijn voor altijd achter mij, U, Hashem Elokim, trok mijn leven op uit het graf.
  7. Toen mijn ziel in mij versmachtte, herinnerde ik mij Hashem; en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel.
  8. Zij die afgoden hebben vereerd, zien af van hun gunsten.
  9. Ik zal luid mijn dank aan U offeren, wat ik beloofde zal ik Hashem voor mijn redding betalen.
  10. En Hashem sprak tot de vis en hij spuwde Jona uit op het droge.

Hoofdstuk 3

  1. En het woord van Hashem kwam voor een tweede keer tot Jona zeggende:
  2. “Sta op, ga naar Ninevé, de grote stad en roep over haar uit de prediking, die Ik je zeggen zal.”
  3. En Jona stond op en ging naar Ninevé in overeenstemming met het woord van Hashem. Ninevé was een stad, groot voor God, drie dagreizen gaans.
  4. En Jona begon de stad één dagreis in te gaan, hij predikte en zei: ”nog veertig dagen en Ninevé wordt omgekeerd.”
  5. En de mensen van Ninevé geloofden in Elokim en riepen een vasten uit en zij kleedden zich, van groot tot klein, in rouwgewaden.
  6. En toen het woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij op van zijn troon en legde zijn mantel af en kleedde zich in een rouwgewaad en zette zich in de as.
  7. Men proclameerde en zei op bevel van de koning en de machtigen, zeggende dat, de mens en het dier, de herder en de kudde, zij mogen niets proeven en ze mogen niet gaan grazen noch mogen zij water drinken.
  8. En mens en dier zullen zich bekleden met rouwgewaden en zullen met kracht tot Elokim roepen, en een ieder moet terugkeren van zijn boze weg, en van het geweld dat in hun handen is.
  9. Wie weet zal Elokim zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn afwenden en ons niet vernietigen.
  10. Toen Elokim hun daden zag, want zij bekeerden zich van hun boze weg, had Hij berouw van wat Hij had gezegd hen aan te doen, en deed het niet.

Hoofdstuk 4

  1. En het ergerde Jona zeer en het maakte hem kwaad.
  2. En hij bad tot Hashem en zei: “alstublieft Hashem, heb ik het niet gezegd toen ik in mijn land was. Daarom vluchtte ik snel weg naar Tarsis, want ik wist, dat U een genadig, barmhartig Elokim bent, lankmoedig en vol van goedertierenheid, en berouw hebt over het kwaad.”
  3. En nu Hashem, neem toch mijn ziel van mij, want mijn dood is beter dan mijn leven.
  4. Maar Hashem zei: “ben je terecht vertoornd?”
  5. En Jona ging de stad uit en ging aan de oostkant van de stad zitten en hij maakte zich daar een hut en ging onder haar in de schaduw zitten.
  6. En Hashem Elokim beschikte een kikajon, die boven Jona opschoot om tot schaduw te dienen voor zijn hoofd, om voor hem zijn ongemak weg te nemen, en Jona verheugde zich over deze kikajon met grote vreugde.
  7. Maar Elokim beschikte een worm bij de zonsopgang van de volgende dag, en die stak de kikajon en die verdorde.
  8. En toen de zon opging, beschikte Elokim een verschroeiende oostenwind en de zon stak op het hoofd van Jona en hij viel in onmacht en hij vroeg: “neem toch mijn ziel van mij”, en zei: “mijn dood is beter dan mijn leven.”
  9. En Elokim zei tot Jona: “Ben je terecht vertoornd over de kikajon? En hij zei: Ik ben terecht vertoornd over de kikajon, ten dode toe.”
  10. En Elokim zei tot Jona: “jij bent verontrust over de kikajon, waarvoor je niet gewerkt hebt en die jij niet hebt laten groeien, die in één nacht is ontstaan en in één nacht te gronde ging.”
  11. En Ik zal dan niet verontrust zijn over Ninevé, die grote stad, waarin meer dan 120000 mensen zijn, die niet weten tussen de rechter en linker hand, en veel vee.”

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.