BSD

De profeet Joël

Sprinkhaan Het is niet precies bekend wanneer de profeet Joël met zijn werk als profeet begon. Het is echter bekend dat tijdens zijn leven het land een verschrikkelijke ramp overkwam. Een zwerm sprinkhanen, alleen overtroffen door de sprinkhanenplaag in Egypte tijdens de dagen van Mozes, daalde op de velden en de wijngaarden neer en verslond alles wat groen was. Als volgt beschrijft de profeet de vreselijke verwoesting van het land:

"Het woord van Hashem, dat tot Joël kwam, de zoon van Petuël. Hoort dit oudsten en luistert alle inwoners van het land, was er dit in jullie dagen of in de dagen van jullie vaderen?.....Joël 1:1,2.

Het ( de sprinkhanen) maakte mijn wijnstok tot een verwoesting en mijn vijgenboom tot een geknakte stam, het schilde de bast en gooide het weg; hun takken werden wit......Joël 1:7.

Het veld is verwoest, het land treurt, want de graanoogst is mislukt, de wijnstok is verwelkt en de olijfolie is opgedroogd....Joël 1:10.

want de vreugde van de mensen is verdwenen." Joël 1:12

De profeet ziet in deze ramp een strenge straf van God voor Israëls ongeloof in Hem en in Zijn wetten, en hij roept zijn broeders op om terug te keren.

"En ook nu sprak Hashem: bekeert jullie tot Mij met heel jullie hart en met vasten en geween en met jammerklacht. Verscheurt jullie hart en niet jullie kleren en bekeert jullie tot Hashem, jullie Elokim, want genadig en barmhartig is Hij, langzaam tot toorn en groot van goedheid en berouw hebbende over de straf....Joël 2:12,13.

Blaast de sjofar in Tzion, heiligt een vasten, roept een feestelijke vergadering uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, verzamelt de oudsten, verzamelt de kinderen en de zuigelingen.... Joël 2:15,16a.

en laat ze zeggen: Hashem ontferm U over uw volk en geef uw erfdeel niet over tot een voorwerp van spot, zodat naties over hen heersen. Waarom zouden de volkeren zeggen: waar is jullie Elokim?" Joël 2:17b.

Maar bijna in één adem voorspelt de profeet prachtige dingen voor zijn volk; G-d zal hen terugbetalen voor hun veelvuldig lijden.

"En jullie zullen eten en verzadigd worden en jullie zullen de naam van jullie Hashem Elokim loven, Hij die wonderen voor jullie deed en mijn volk zal tot in eeuwigheid niet meer te schande worden. En jullie zullen weten, dat Ik te midden van Israël ben, en Ik ben jullie Hashem Elokim, en er is geen ander, en mijn volk zal nimmer meer te schande worden." Joël 2:26,27.

Na Israëls triomf, voorziet Joël de dag wanneer de hele mensheid, ook mannen en vrouwen op de laagste posten in het leven, kennis van God zullen hebben:

"Daarna zal het gebeuren, dat Ik mijn geest zal uitgieten over alle vlees en jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren en jullie ouden zullen dromen dromen en jullie jongelingen zullen gezichten zien. In die dagen zal Ik ook mijn geest uitgieten over de dienstknechten en dienstmeisjes." Joël 2:28,29.

Bron: Four Prophets

Onderstaand een eigen vertaling uit het Hebreeuws van Joel.

Hoofdstuk 1

  1. Het woord van Hashem, dat tot Joël kwam, de zoon van Petuël.
  2. Hoort dit oudsten en luistert alle inwoners van het land, was er dit in jullie dagen of in de dagen van jullie vaderen?
  3. Vertel je kinderen hierover en jullie kinderen aan hun kinderen en die kinderen aan een volgend geslacht:
  4. wat de snij sprinkhanen hebben overgelaten eten de zwermsprinkhanen en wat zij overlaten eten de kauwende sprinkhanen en wat zij overlaten eten de vernietigers.
  5. Wordt wakker dronkaards en huilt en jammert alle wijndrinkers, over de jonge wijn, die van jullie wordt verwijderd.
  6. Want een volk trekt op tegen mijn land, machtig en niet te tellen, zijn tanden zijn tanden van een leeuw en het heeft een muil van een leeuwin.
  7. Het maakte mijn wijnstok tot een verwoesting en mijn vijgenboom tot een geknakte stam, het schilde de bast en gooide het weg; hun takken werden wit.
  8. Klaag als een jonkvrouw, met rouw omgord, over de bruidegom van haar jeugd.
  9. Spijs- en plengoffer zijn weggenomen uit het huis van Hashem, de priesters, dienaren van Hashem, treuren.
  10. Het veld is verwoest, het land treurt, want de graanoogst is mislukt, de wijnstok is verwelkt en de olijfolie is opgedroogd.
  11. Weest beschaamd boeren, jammert wijnboeren over de tarwe en de gerst, want de graanoogst op het veld is verloren gegaan.
  12. De wijnstok is verdroogd en de vijgenboom treurt, de granaatappelboom en ook de dadelpalm en de appelboom, al de bomen van het veld zijn verdroogd, want de vreugde van de mensen is verdwenen.
  13. O priesters. omgordt jullie en klaagt, jammert, jullie dienaren van het altaar, komt in rouw overnachten, jullie dienaren van mijn Elokim, want spijs- en plengoffer zijn achtergehouden in het huis van jullie Elokim.
  14. Heiligt een vasten, roept een vergadering bijeen, verzamelt de oudsten en alle inwoners van het land in het huis van Hashem, jullie Elokim en schreeuwt tot Hashem.
  15. O wee die dag, de dag van Hashem komt naderbij en komt als een verwoesting van de Almachtige.
  16. Is niet voor onze ogen de spijze weggedaan, uit het huis van onze Elokim vreugde en gejuich?
  17. De zaadkorrels zijn verdroogd onder de aardkluiten, de voorraadschuren zijn verwoest, want het graan is verdroogd.
  18. Oh, wat kreunt het vee! De runderkudden zwerven rond, want er is geen grasland voor hen, ook het kleinvee moet boeten.
  19. Tot U, Hashem, roep ik, want vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, een vlam verzengt alle bomen van het veld.
  20. Ook de wilde dieren verlangen hevig naar U, want de waterbeken zijn uitgedroogd en het vuur verteert de weiden van de woestijn.

Hoofdstuk 2

  1. Blaast de sjofar in Sion, slaat alarm op mijn heilige berg, beeft alle bewoners van het land, want de dag van Hashem komt en is nabij.
  2. Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en duisternis, als morgenrood, dat zich uitspreidt over de bergen: een talrijk en machtig volk, zoals er van ouds niet geweest is en hierna niet meer zal zijn tot in komende geslachten.
  3. Voor Hem uit gaat een verterend vuur en achter Hem een brandende vlam, als een hof van eden is het land voor Hem en achter Hem een troosteloze woestijn en ook zal er niemand zijn die aan Hem ontkomt.
  4. Zij zien eruit als paarden, als ruiters zo rennen zij.
  5. Als het geluid van strijdwagens, die dansen over de toppen van de bergen, als het geluid van een vlammend vuur dat stoppels verteert, als een machtig volk, dat ten strijde trekt.
  6. Volkeren beven voor Hem, alle gezichten zijn bleek van angst.
  7. Als strijders rennen zij, als krijgslieden beklimmen zij een muur en een ieder gaat op zijn weg en zij veranderen niet van koers.
  8. Een ieder verdringt zijn broeder niet en iedere strijder gaat zijn eigen weg en vallen zij door een pijl, zij stoppen niet.
  9. Zij bestormen de stad, rennen over de muur, klimmen in de huizen, door de vensters komen zij als een dief.
  10. Voor Hem siddert de aarde en beeft de hemel, zon en maan worden verduisterd en de sterren houden hun glans in.
  11. En Hashem verheft Zijn stem voor Zijn leger, want zeer talrijk is Zijn leger, want machtig is [het leger] dat Zijn woord uitvoert, want groot is de dag van Hashem, groot en zeer te vrezen en wie kan het verdragen?
  12. En ook nu sprak Hashem: bekeert jullie tot Mij met heel jullie hart en met vasten en geween en met jammerklacht.
  13. Verscheurt jullie hart en niet jullie kleren en bekeert jullie tot Hashem, jullie Elokim, want genadig en barmhartig is Hij, langzaam tot toorn en groot van goedheid en berouw hebbende over de straf.
  14. Wie dit weet, keert om en hebt berouw en Hij zal een zegen achterlaten, voor een meel- en plengoffer voor Hashem, jullie Elokim.
  15. Blaast de sjofar in Tzion, heiligt een vasten, roept een feestelijke vergadering uit.
  16. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, verzamelt de oudsten, verzamelt de kinderen en de zuigelingen: de bruidegom gaat uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek.
  17. Laat de priesters, dienaren van Hashem, wenen tussen de voorhof en het altaar en zeggen: Hashem ontferm U over uw volk en geef uw erfdeel niet over tot een voorwerp van spot, zodat naties over hen heersen. Waarom zouden de volkeren zeggen: waar is jullie Elokim?
  18. En dan zal Hashem Zijn land ijverig verdedigen en zich ontfermen over Zijn volk.
  19. En Hashem antwoordde en zei tot Zijn volk: zie Ik zal jullie het graan en de wijn en de olijfolie zenden en jullie zullen ermee verzadigd worden en jullie zullen niet meer een voorwerp van spot zijn voor de naties.
  20. Ik zal die uit het noorden voor jullie verdrijven en hen verstoten naar een dor en verlaten land, zijn aangezicht naar de oostelijke zee en zijn achterzijde naar de westelijke zee en zijn stank en vuile lucht zal opstijgen, want hij heeft groot kwaad gedaan.
  21. Vrees niet o land, wees blij en verheug je, want Hashem heeft grote dingen gedaan.
  22. Vreest niet dieren van het veld, want de weiden van de woestijn worden groen, want de boom draagt zijn vrucht, de vijgenboom en de wijnstok geven hun rijkdom.
  23. En kinderen van Tzion weest blij en verheugt jullie je in Hashem, jullie Elokim, want Hij gaf jullie een leraar ter gerechtigheid en Hij laat voor jullie de vroege en late regen neerdalen.
  24. En de schuren worden gevuld met graan en de vaten stromen over van wijn en olie.
  25. En Ik wil jullie de jaren vergelden, waarin de snij sprinkhanen, de zwermsprinkhanen, de kauwende sprinkhanen en de vernietigers, mijn groot leger, die Ik jullie gezonden heb, alles hebben opgevreten.
  26. En jullie zullen eten en verzadigd worden en jullie zullen de naam van jullie Hashem Elokim loven, Hij die wonderen voor jullie deed en mijn volk zal tot in eeuwigheid niet meer te schande worden.
  27. En jullie zullen weten, dat Ik te midden van Israël ben, en Ik ben jullie Hashem Elokim, en er is geen ander, en mijn volk zal nimmer meer te schande worden.
  28. Daarna zal het gebeuren, dat Ik mijn geest zal uitgieten over alle vlees en jullie zonen en jullie dochters zullen profeteren en jullie ouden zullen dromen dromen en jullie jongelingen zullen gezichten zien.
  29. In die dagen zal Ik ook mijn geest uitgieten over de dienstknechten en dienstmeisjes.
  30. En Ik zal wonderen doen in de hemel en op de aarde; bloed en vuur en rookzuilen.
  31. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en gevreesde dag van Hashem komt.
  32. En het zal gebeuren dat allen die de naam van Hashem zullen aanroepen, gered zullen worden, want op de berg Sion en in Jeruzalem zal er ontkoming zijn, zoals Hashem gezegd heeft en onder de ontkomenen, zij die Hashem geroepen heeft.

Hoofdstuk 3

  1. Want het zal zijn in die dagen en in die tijd, dat Ik de gevangenen uit Juda en Jeruzalem doe terugkeren.
  2. En Ik zal al de volkeren verzamelen en doen afdalen naar het dal van Josafath en Ik zal daar over hen rechtspreken ter zake van mijn volk en mijn erfdeel Israël, die zij onder de volken verstrooid hebben en mijn land hebben zij verdeeld.
  3. En zij hebben over mijn volk het lot geworpen en de jongen voor een hoer en een meisje verkochten zij voor wijn en zij dronken.
  4. En ook wat zijn jullie voor Mij, Tyrus en Tzidon, en alle districten van de Filistijnen? Willen jullie Mij kwaad vergelden? En als jullie vergelden, dan zal Ik zeer snel jullie vergelding op jullie hoofd doen terugkeren.
  5. Jullie hebben mijn zilver en mijn goud genomen en mijn mooie kostbaarheden hebben jullie in jullie paleizen gebracht.
  6. En jullie verkochten de kinderen van Juda en van Jeruzalem aan de kinderen van de Grieken, zodat ze werden verwijderd van hun grondgebied.
  7. En zie, Ik zal hen doen opstaan uit de plaats waarheen jullie hen verkocht hebben: Ik zal jullie vergelding op jullie hoofd doen weerkeren.
  8. En Ik zal jullie zonen en dochters verkopen in de hand van de kinderen van Juda, zij zullen hen aan de mensen van Sheba verkopen, aan een ver verwijderd volk, zoals Hashem heeft gesproken.
  9. Roept dit onder de volken: heiligt een oorlog, doet de helden opstaan, laat alle soldaten naderbij komen en opkomen.
  10. Smeedt jullie ploegen tot zwaarden en jullie snoeimessen tot speren, de zwakke spreke, Ik ben sterk.
  11. Maakt jullie op en komt alle volkeren van rondom en verzamel jullie. Hashem zelf zal jullie helden laten afdalen.
  12. En de volkeren zullen oprukken en opgaan naar het dal van Josafat, want daar zal Ik zitten om alle volkeren van rondom te oordelen.
  13. Sla de sikkel er in, want de oogst is rijp, kom daal af, want de wijnpers is vol en de wijnvaten stromen over, want groot is hun kwaad.
  14. Menigten, menigten in het dal van de beslissing, want dichtbij is de dag van Hashem, in het dal van de beslissingen.
  15. Zon en maan zullen verduisterd worden en sterren houden hun glans in.
  16. En Hashem zal uit Sion brullen en uit Jeruzalem Zijn stem verheffen en hemel en aarde zullen beven. Maar Hashem zal een schuilplaats zijn voor Zijn volk en een vesting voor de kinderen van Israël.
  17. En jullie zullen weten dat Ik Hashem, jullie Elokim ben, die in Sion woont op Mijn heilige berg en Jeruzalem zal heilig zijn en vreemdelingen zullen niet meer door haar heentrekken.
  18. Op die dag zal het geschieden dat de bergen zullen druipen van jonge wijn en de heuvels vloeien zullen van melk en alle beekjes van Juda zullen stromen van water en een bron zal uit het huis van Hashem ontspringen en zal het dal van Sittem drenken.
  19. Egypte zal een woestenij zijn en Edom zal zijn tot een woeste wildernis, vanwege het onrecht aan de kinderen van Juda aangedaan: dat zij onschuldig bloed vergoten hebben in hun land.
  20. Want Juda zal voor eeuwig terugkeren en Jeruzalem zal zijn van geslacht tot geslacht.
  21. Ik zal niet de bloedschuld geheel ongestraft laten. En Hashem woont in Sion.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Noten:

Hoofdstuk 1:4: De wijze Abarbanel wijst erop dat deze sprinkhanen zinnebeeldig zijn. Het gaat hier over de machten Babylonië, Perzië, Griekenland en Rome. Zij allen waren bezetters van het land Israël.

Hoofdstuk 2:2 - machtig volk - Denk hierbij weer aan de sprinkhanen.

Hoofdstuk 3:21: In de Hebreeuwse bijbel is de volgende kanttekening geplaatst: Hoewel Ik de volkeren zal reinigen door hen veel zonden te vergeven, Ik zal hen niet hun bloedschuld vergeven jegens Israël. Zij zullen in het einde der tijden gestraft worden.