BSD

De tien Psalmen-Tikkun Klali

tikkun

Psalm 16

  1. Een michtam van David. Bescherm mij Elokim, want bij U schuil ik.
  2. Jij hebt tot Hashem gezegd, U bent Hashem, ik heb geen goed buiten U.
  3. Wat betreft de heiligen die in de lande zijn en de machtigen in wie al mijn vreugde is;
  4. moge het verdriet toenemen van hen die achter andere [goden] aanrennen; ik zal hun plengoffers van bloed niet uitgieten, noch zal ik hun namen op mijn lippen nemen.
  5. Hashem is mijn toegewezen deel en mijn beker; U ondersteunt mijn lot.
  6. Mijn erfdelen vallen mij in lieflijke plaatsen, zelfs de bezittingen zijn mij aangenaam.
  7. Ik zal Hashem zegenen, die mij raad heeft gegeven, zelfs in de nachten onderwijzen mij mijn nieren.
  8. Ik plaats Hashem altijd voor mij, want [Hij is] aan mijn rechterhand. Ik zal niet struikelen.
  9. Daarom verheugt zich mijn hart en is mijn ziel blij, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen.
  10. Want U zult mijn ziel niet achterlaten in het dodenrijk. U zult niet toestaan dat uw vrome het graf ziet.
  11. U doet mij het pad van het leven kennen, overvloed van vreugde in uw aanwezigheid, lieflijkheid is in uw rechterhand voor eeuwig.

Psalm 32

  1. Van David een maskil; gelukkig is hij, van wie de overtreding vergeven is, van wie de zonde bedekt is.
  2. Gelukkig is de man, die Hashem zijn ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest geen bedrog is.
  3. Toen ik heb gezwegen zijn mijn beenderen verzwakt door mijn gejammer de hele dag;
  4. want dag en nacht was uw hand zwaar op mij, mijn merg veranderde door de hitte van de zomer. sela
  5. Mijn zonde bekende ik U en mijn ongerechtigheid verborg ik niet, ik zei: ik wil Hashem mijn overtredingen belijden en U vergaf de schuld van mijn zonden. sela
  6. Daarom zal iedere vrome tot U bidden in vindenstijd, daarom zal een stortvloed van vele wateren hem niet bereiken.
  7. U bent voor mij een schuilplaats, U behoedt mij voor benauwdheid en met jubelzangen van bevrijding omringt U mij. sela
  8. Ik zal je beleren en onderwijzen op de weg die je gaat, Ik raad je, mijn oog is op je.
  9. Wees niet als een paard, als een muildier die niet onderscheiden kan, wiens bek men moet beteugelen met toom en bit, opdat het je niet te na komt.
  10. Talrijk is het lijden van de goddelozen, maar die op Hashem vertrouwt, goedheid zal hem omringen.
  11. Verheugt jullie in Hashem en juicht jullie rechtvaardigen en zingt jubelend alle oprechten van hart.

Psalm 41

  1. Voor de dirigent, een psalm van David.
  2. Gelukkig is hij, die acht slaat op de arme, op de dag van het kwaad zal Hashem hem redden.
  3. Hashem zal hem behoeden en zal hem in leven houden en hij zal gelukkig zijn op aarde en U zult hem niet overleveren aan het verlangen van zijn vijanden.
  4. Hashem zal hem ondersteunen op zijn ziekbed, in zijn ziekte verandert U heel zijn slaapvertrek.
  5. Ik zei tegen Hashem: wees mij genadig, genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.
  6. Mijn vijanden spreken kwaad van mij: wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?
  7. Wanneer hij komt om mij te zien, spreekt hij valsheid, zijn hart verzamelt leugen voor hemzelf en toen hij naar buiten ging, sprak hij erover.
  8. Allen die mij haten, fluisteren over mij en denken kwaad van mij.
  9. Een dodelijke ziekte is over hem uitgegoten en wanneer hij neerligt, zal hij niet weer opstaan.
  10. Ook mijn bondgenoot op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, gaf mij een trap na.
  11. En U, Hashem, wees mij genadig en richt mij op, dan zal ik het hen vergelden.
  12. Hierdoor zal ik weten, dat U welgevallen aan mij hebt, wanneer mijn vijand niet over mij zal juichen.
  13. Vanwege mijn onschuld steunt U mij en doet U mij voor eeuwig voor U staan.
  14. Gezegend is Hashem, de Elokim van Israël, van nu aan tot in eeuwigheid. Amen. Amen.

Psalm 42

  1. Voor de dirigent, een maskil van de zonen van Korach.
  2. Zoals een hert dat hevig verlangt naar waterbeken, zo verlangt mijn ziel hevig naar U, Elokim.
  3. Mijn ziel dorst naar Elokim, naar de levende Elokim; wanneer zal ik komen en verschijnen voor Elokim?
  4. Mijn tranen waren voor mij brood, dag en nacht, wanneer zij de hele dag tot mij zeggen: waar is je Elokim?
  5. Deze dingen zal ik mij herinneren en ik zal mijn ziel in mij uitstorten: hoe ik optrok met de menigte, ik wandelde met hen naar het huis van Elokim, met vreugdevolle zang en dankzegging, een feestvierende menigte.
  6. Waarom buig je je neer mijn ziel en waarom ben je zo onrustig in mij? Wacht op Elokim, want ik zal Hem nog danken voor zijn reddingen!
  7. Mijn Elokim, mijn ziel buigt zich neer in mij, daarom zal ik U gedenken uit het land van de Jordaan en het Hermongebergte en de berg Mitsar.
  8. Waterdiepten roepen tot waterdiepten naar het geluid van uw waterstromen, al uw brekers en golven slaan over mij heen.
  9. Overdag zal Hashem zijn barmhartigheid gebieden en 's nachts is zijn lied bij mij, een gebed tot de Elokim van mijn leven.
  10. Ik zeg tot Elokim, mijn rots: waarom bent U mij vergeten? Waarom ga ik in duisternis door de onderdrukking van de vijand?
  11. Het is als moord in mijn beenderen, mijn onderdrukkers hebben mij bespot, wanneer zij de hele dag tot mij zeggen: waar is je Elokim?
  12. Waarom buig je je neer mijn ziel en waarom ben je zo onrustig in mij? Wacht op Elokim, want ik zal Hem nog danken voor zijn reddingen!

Psalm 59

  1. Voor de dirigent “op tascheth”1 van David. Een michtam, toen Saul [mannen] zond en zij het huis bewaakten om hem te doden.
  2. Red mij van mijn vijanden, mijn Elokim; bescherm mij tegen hen die tegen mij opstaan.
  3. red mij van de werkers van ongerechtigheid en verlos mij van de bloeddorstige mannen.
  4. Want zie, zij liggen in een hinderlaag voor mijn ziel; sterken willen op mij aanvallen, noch voor mijn overtredingen, noch voor mijn zonden, Hashem;
  5. zonder ongerechtigheid, rennen zij en maken zich gereed. Waak op, om mij tegemoet te komen en zie.
  6. U, Hashem, Elokim, Tsevaot, Elokim van Israël, ontwaak om alle natiën te straffen, heb geen genade met de ongerechtigheid van alle trouwelozen. sela
  7. Zij keren terug in de avond, zij blaffen als een hond en gaan de stad rond.
  8. Zie, zij slaan slechte taal uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen, want wie luistert?
  9. Maar U, Hashem. zult over hen lachen en U zult spotten met alle natiën.
  10. Mijn sterkte, op U wil ik acht slaan, want Elokim is mijn schuilplaats.
  11. De barmhartigheid van Elokim zal mij tegemoetkomen, Elokim zal mij doen neerzien op mijn vijanden.
  12. Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergeet; en doe hen door uw macht rondzwerven en breng hen ten val, Hashem, ons schild.
  13. De zonde van hun mond is het woord van hun lippen, en zij zullen in hun hoogmoed gevangen worden, vanwege de vloek en de leugen die zij vertellen.
  14. Vernietig hen in woede, vernietig hen zodat zij niet meer zijn; en dat zij weten dat Elokim heerst in Jacob, tot aan de einden der aarde. sela
  15. En zij zullen in de avond weerkeren en blaffen als honden en de stad rond gaan.
  16. Zij zullen omdolen om te eten; als zij niet verzadigd zijn, dan grommen zij.
  17. Maar ik zal zingen van uw sterkte, in de ochtend zal ik jubelend zingen over uw barmhartigheid; want U was mij een rots en een schuilplaats in dagen van nood.
  18. Mijn sterkte! Voor U wil ik zingen; want Elokim is mijn rots en mijn barmhartige Elokim.

Psalm 77

  1. Voor de dirigent. Op Jedutun. Een psalm van Asaf.
  2. Mijn stem is tot Elokim en ik zal het uitschreeuwen; mijn stem is tot Elokim en Hij hoort opmerkzaam naar mij.
  3. Op de dag van mijn nood zocht ik Hashem, mijn hand is 's nachts uitgestrekt en verslapt niet, mijn ziel weigert zich te laten troosten.
  4. Denk ik denk aan Elokim, dan kreun ik; ben ik bezorgd dan bezwijmt mijn geest. sela
  5. U houdt mijn ogen open, ik ben verontrust en kan niet spreken.
  6. Ik denk na over de dagen van ouds, over de jaren van weleer;
  7. ik herinner mij mijn snarenspel in de nacht, ik sprak met mijn hart en mijn geest zocht.
  8. Zal Hashem voor eeuwig verwerpen en zal Hij niet voortgaan met nog welgevallen te hebben?
  9. Is zijn barmhartigheid voor eeuwig geëindigd, heeft de belofte een einde genomen van geslacht tot geslacht?
  10. Is Elokim vergeten genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe? sela
  11. Ik zei: het maakt mij ziek, dat de rechterhand van de allerhoogste verandert.
  12. Ik herinner mij de daden van Hashem, wanneer ik denk aan uw wonderen van ouds.
  13. Ik denk na over al uw werken en ik zal spreken over uw daden.
  14. Elokim, in heiligheid is uw weg; wie is een god zo groot als Elokim?
  15. U bent de Elokim, die wonderen doet, U maakt uw macht bekend aan de volkeren.
  16. U hebt uw volk verlost met uw machtige arm, de zonen van Jakob en Jozef. sela
  17. De wateren zagen U, Elokim, de wateren zagen U en beefden, zelfs de waterdiepten beefden.
  18. De wolken goten water uit, de hemelen laten donder horen, zelfs uw pijlen gaan rond.
  19. Het geluid van uw donder is als een rollend rad, bliksemen verlichtten de wereld, de aarde beefde en schudde.
  20. In de zee was uw weg, uw pad was in grote wateren, uw voetsporen werden niet gekend.
  21. U leidde uw volk als een kudde door de hand van Moshe en Aaron.
Psalm 90.
  1. Een gebed door Moshe, een man van Elokim. Hashem, U bent voor ons een toevlucht geweest van geslacht tot geslacht;
  2. voordat de bergen geboren waren en de aarde en de wereld waren voortgebracht, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U Elokim.
  3. U doet de mens weerkeren tot stof en zegt: keer weer, mensenkinderen.
  4. Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbij is, als een nachtwake.
  5. U spoelt hen weg; zij zijn als een slaap in de morgen, als gras dat opschiet;
  6. in de morgen bloeit het en in de avond verwelkt het en verdort.
  7. Wij vergaan door uw woede en door uw toorn worden wij verdelgd.
  8. U stelt onze ongerechtigheden voor U, terwijl wij die verborgen voor het licht van uw aangezicht.
  9. Want al onze dagen gaan voorbij in uw toorn, wij eindigen onze jaren als in een zucht.
  10. De dagen van onze jaren, in hen zijn zeventig jaren en wanneer wij sterk zijn, tachtig jaren en hun trots daarin is moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.
  11. Wie kent de kracht van uw toorn, en zoals U gevreesd wordt in uw woede?
  12. Leer ons zo onze dagen tellen, zodat wij een wijs hart verwerven.
  13. Keer terug, Hashem! Hoe lang nog? En heb medelijden met uw dienaren.
  14. Verzadig ons in de morgen met uw barmhartigheid, dan zullen wij jubelend zingen en ons verheugen al onze dagen.
  15. Verheug ons in overeenstemming met de dagen waarin U ons vernederd hebt, de jaren waarin wij het kwaad zagen.
  16. Mogen uw werken zichtbaar worden aan uw dienaren, en uw glorie aan hun kinderen;
  17. moge de vriendelijkheid van Hashem, onze Elokim, over ons zijn, en bevestig de werken van onze handen voor ons, het werk van onze handen, bevestig dat.
Psalm 105.
  1. Dankt Hashem, roept Zijn naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken;
  2. Zingt voor Hem, maakt muziek voor Hem, spreekt van al Zijn wonderen.
  3. Roemt in Zijn heilige naam; mag het hart van hen die Hashem zoeken zich verheugen.
  4. Zoekt Hashem en Zijn sterkte, zoekt steeds Zijn aangezicht.
  5. Gedenkt zijn wonderen die Hij deed, zijn tekenen en de oordelen van zijn mond,
  6. Het kroost van Abraham zijn knecht, kinderen van Jacob, zijn uitverkorenen.
  7. Hij is Hashem onze Elokim, zijn oordelen gaan over de hele wereld;
  8. Hij gedenkt voor eeuwig zijn verbond, het woord dat Hij gebood tot in het duizendste geslacht,
  9. dat Hij maakte met Abraham, en zijn eed aan Izaak;
  10. dat Hij bevestigde aan Jacob tot een belofte, aan Israël tot een eeuwig verbond,
  11. zeggende: aan jullie geef Ik het land Kanaän, het jouw toegemeten erfdeel.
  12. Toen zij weinig in getal waren en gering, terwijl zij daar als vreemdeling verbleven.
  13. En zij van natie tot natie gingen, van koninkrijk tot een ander volk.
  14. Stond Hij geen mens toe, hen te onderdrukken en strafte koningen ter wille van hen;
  15. raakt mijn gezalfden niet aan, en doet aan mijn profeten geen kwaad.
  16. En Hij riep een hongersnood uit over het land, Hij brak elke staf van het brood,
  17. Hij zond een man voor hen uit: Jozef werd als slaaf verkocht;
  18. zij dwongen zijn voeten in ijzeren boeien, zijn nek kwam in de ijzers,
  19. tot de tijd, dat zijn woord is uit gekomen, heeft het besluit van Hashem hem gelouterd.
  20. Een koning zond heen en liet hem vrij, een heerser van volkeren maakte zijn boeien los;
  21. hij maakte hem tot heer over zijn huis, en tot heer over al zijn bezit,
  22. om zijn vorsten te binden naar zijn goeddunken, en zijn oudsten maakte hij wijs.
  23. En Israël kwam naar Egypte, en Jacob verbleef als vreemdeling in het land van Cham,
  24. Hij maakte zijn volk zeer vruchtbaar en maakte het machtiger dan zijn vijanden.
  25. Hij veranderde hun harten om zijn volk te haten, om listig te handelen tegen Zijn knechten.
  26. Hij zond Moshe zijn knecht [en] Aaron, die Hij koos.
  27. Zij plaatsten onder hen de woorden van Zijn tekenen en Zijn wonderen in het land van Cham.
  28. Hij zond duisternis, en maakte het duister, en zij waren niet weerspannig tegen Zijn woord.
  29. Hij veranderde hun water in bloed en doodde hun vissen;
  30. hun land wemelde van kikkers, in de kamers van hun koningen.
  31. Hij sprak en er kwam een zwerm ziekmakende insecten, en muggen in heel hun gebied.
  32. Hij maakte hun regen tot hagel, vurige vlammen in hun land;
  33. Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgenboom en brak het geboomte in hun gebied.
  34. Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen, verslinders zonder tal;
  35. zij aten al het groene kruid in hun land en de vruchten van hun akker.
  36. En Hij sloeg al de eerstgeborenen van hun land, alle eerstelingen van hun kracht.
  37. En Hij leidde hen uit met zilver en goud, terwijl er in hun stammen niemand was die struikelde.
  38. Egypte verheugde zich over hun vertrek, want vrees voor hen was op hen gevallen.
  39. En Hij spreidde een wolk uit tot bedekking, en vuur om de nacht te verlichten.
  40. Zij vroegen, en er kwamen kwakkels, met brood uit de hemel verzadigde Hij hen.
  41. Hij opende een rots, en wateren vloeiden en stroomden als een rivier in de woestijn;
  42. want Hij herinnerde zich Zijn heilig woord aan Abraham, zijn knecht.
  43. En Hij leidde zijn volk uit met vreugde, zijn uitverkorenen met vreugdegezang.
  44. En Hij gaf hen de landen der natiën, en zij erfden het gezwoeg van de volkeren,
  45. opdat zij zijn wetten zouden onderhouden, en Zijn Tora bewaren. Halleluja.
Psalm 137.
  1. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, wanneer wij aan Sion dachten.
  2. Aan de wilgen in hun midden hingen wij onze harpen;
  3. want daar vroegen zij, die ons gevangen namen, van ons woorden van een lied en zij die ons mishandelden, vreugde betoon: zingt voor ons een lied van Sion.
  4. Hoe zouden wij het lied van Hashem zingen op vreemde grond?
  5. Als ik jou vergeet Jeruzalem, moge mijn rechterhand [haar vaardigheden] vergeten;
  6. laat mijn tong kleven aan mijn gehemelte, wanneer ik jou niet gedenk, wanneer ik Jeruzalem niet verhef tot mijn hoogste vreugde.
  7. Herinner, Hashem, de kinderen van Edom, de dag van Jeruzalem; zij die zeiden: breekt af, breekt af tot op het fundament!
  8. Jij, dochter van Babel, die bestemd is te worden verwoest, gelukkig hij, die jou zal vergelden wat je ons hebt gedaan;
  9. gelukkig is hij, die jouw kinderen zal grijpen en vernietigen tegen de rots.
Psalm 150.
  1. Halleluja. Looft Elokim in zijn heiligdom, looft Hem in zijn machtig uitspansel;
  2. looft Hem om zijn machtige daden, looft Hem om zijn geweldige grootheid.
  3. Looft Hem met de sjofar, looft Hem met harp en lier,
  4. looft Hem met tamboerijn en reidans, looft Hem met snaarinstrumenten en fluit,
  5. looft Hem met klinkende cimbalen, looft Hem met schallende cimbalen.
  6. Laat alle zielen Hashem loven. Halleluja.
Na het zeggen: Psalm 14: 7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam! Wanneer Hashem de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn. En Psalm 37: 39 Maar het heil van de rechtvaardigen komt van Hashem, hun kracht ten tijde van benauwdheid. 40 Hashem zal hen helpen en bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en verlossen, want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Tikkun Klali of de Algemene Remedie, is een set van tien psalmen waarvan de overweging dient als teshuva (berouw) voor alle zonden.

Teshuva is letterlijk "terugkeren"; het betreft het proces van boetedoening voor de begane zonden. Hierdoor verandert hij als mens door in plaats zichzelf te dienen gaat hij Hashem en de naaste dienen. Er zijn vier stappen in het Teshuva proces: 1. Belijden aan Hashem wat hij verkeerd gedaan heeft. 2. Berouw tonen dat hij tegen Hashem's wil heeft gehandeld. 3. Aan Hashem vergeving vragen zoals een kind aan zijn vader om vergeving vraagt. 4. De verplichting op zich nemen om zijn uiterste best te doen niet weer terug te vallen.