BSD

Psalm 78

     psalms
  • Elohim spreek uit Elokim is een gebruikelijke naam voor God in the Hebreeuwse Bijbel.
  • Hashem betekent letterlijk: "De Naam" en is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.
  1. Een maskil van Asaf. Hoor mijn volk naar mijn leer, neig jullie oren naar de woorden van mijn mond;
  2. ik zal mijn mond openen met een spreuk, ik zal de raadsels van ouds verkondigen,
  3. die wij gehoord hebben en kennen, en onze vaderen ons hebben verteld,
  4. die wij niet verborgen willen houden voor hun zonen; wij willen vertellen aan het volgende geslacht de lof van Hashem, zijn macht en zijn wonderen die Hij gedaan heeft.
  5. Hij richtte een getuigenis op in Jacob en stelde een Tora in Israël, die Hij gebood aan onze vaderen om aan hun zonen te leren,
  6. opdat het nageslacht die zou kennen, en de kinderen die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze aan hun kinderen te vertellen:
  7. opdat zij hun vertrouwen stellen op Elokim en zij niet de werken van Elokim vergeten en zijn geboden onderhouden;
  8. en niet worden als hun vaderen, een hardnekkig en opstandig geslacht, een geslacht onstandvastig van hart en wiens geest niet trouw was aan Elokim.
  9. De zonen van Efraïm, die zich bewapenden met bogen. Keerden om ten dage van de strijd.
  10. Zij hielden zich niet aan het verbond van Elokim en weigerden te gaan in zijn Tora,
  11. en zij vergaten zijn werken en wonderen, die Hij hen had laten zien.
  12. In tegenwoordigheid van hun vaderen deed Hij wonderen in het land Egypte, in het veld van Zoan.
  13. Hij spleet de zee, Hij deed hen erdoor trekken, Hij stelde het water op als een muur,
  14. Hij leidde hen met een wolk overdag en heel de nacht met een vurig licht;
  15. Hij spleet rotsen in de woestijn en Hij drenkte hen als uit diepten in overvloed;
  16. Hij liet beken vloeien uit een rots en liet water neerstromen als rivieren.
  17. En zij gingen nog voort tegen Hem te zondigen en rebelleerden tegen de Allerhoogste in de woestijn;
  18. en in hun hart testten zij Elokim, door naar eten te vragen naar hun begeerte;
  19. zij spraken tot Elokim, en zeiden: “kan Elokim een tafel bereiden in de woestijn?”
  20. Zie, Hij heeft de rots geslagen en water vloeide en beken stroomden. Kan Hij ook brood geven en vlees bereiden voor zijn volk?
  21. Toen Hij dat hoorde, werd Hashem woedend, en Hij ontstak een vuur in Jacob en ook verhief zich toorn over Israël,
  22. want zij geloofden niet in Elokim en zij vertrouwden niet op zijn verlossing.
  23. En hij gebood de wolken daarboven en opende de deuren van de hemel;
  24. en Hij regende manna op hen om te eten en gaf hen hemelkoren;
  25. brood der engelen at ieder, Hij zond hen voedsel ter verzadiging.
  26. Hij deed een oostenwind opsteken onder de hemel en door zijn kracht voerde Hij een zuidenwind aan;
  27. en Hij deed vlees als stof op hen regenen en gevleugeld gevogelte als het zand der zeeën;
  28. en het viel in het midden van hun leger, rondom zijn woning.
  29. En zij aten en werden meer dan verzadigd en Hij bracht hen wat ze begeerden.
  30. En zij waren niet afkerig van hun begeerte, het voedsel was nog in hun mond -
  31. toen kwam de woede van Elokim over hen en Hij doodde de voornaamsten onder hen en velde de jongemannen van Israël neer.
  32. Ondanks dit alles zondigden zij verder en geloofden niet in zijn wonderen.
  33. Toen deed Hij hun dagen eindigen in nietigheid en hun jaren in verschrikking.
  34. Als Hij hen doodde, vroegen zij naar Hem, keerden terug en zochten Elokim,
  35. en herinnerden zij zich, dat Elokim hun rots was en Elokim, de Allerhoogste, hun verlosser.
  36. Met de mond bedrogen zij Hem en met hun tong belogen zij Hem;
  37. en hun hart was niet standvastig bij Hem en zij geloofden niet in zijn verbond.
  38. Maar Hij was barmhartig en verzoende hun ongerechtigheid en richtte hen niet te gronde; en menigmaal wendde Hij zijn woede af en wekte niet al zijn gramschap op;
  39. en Hij herinnerde zich dat zij vlees waren, een ademtocht, die vervliegt en niet weerkeert.
  40. Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn en deden zij Hem verdriet in de wildernis?
  41. En zij verzochten Elokim keer op keer en griefden de Heilige Israëls.
  42. En zij herinnerden zich niet zijn hand op de dag, dat Hij hen verloste van de verdrukker;
  43. die in Egypte zijn tekenen plaatste en zijn wonderen in het veld van Zoan.
  44. En Hij veranderde hun rivier de Nijl en hun beken in bloed, zodat ze niet konden drinken.
  45. Hij zond hen een zwerm schadelijke insecten, die hen verteerden en kikkers, die hen verdierven;
  46. en Hij gaf hun gewas aan de sprinkhaan en hun opbrengst aan de woestijnsprinkhaan.
  47. Hij verdierf hun wijnstok door hagel en hun vijgenbomen door vurige hagelstenen;
  48. Hij gaf hun vee over aan de hagel en hun kudden aan de bliksemschichten.
  49. Hij zond op hen laaiende toorn, woede, wraak en verwarring, een schare verderfengelen.
  50. Hij maakte een pad voor zijn woede en Hij behoedde hun zielen niet voor de dood en gaf hun leven over aan de pest.
  51. Hij sloeg al de eerstgeborenen van Egypte, de eerstelingen van hun kracht in de tenten van Cham.
  52. Maar Hij leidde zijn volk uit als schapen en voerde hen weg als een kudde door de woestijn.
  53. En Hij leidde hen veilig en zij vreesden niet want de zee had hun vijanden bedekt.
  54. En Hij bracht hen naar zijn heilig gebied, de berg, die zijn rechterhand had verworven;
  55. Hij verdreef voor hen de volkeren, mat hen die toe als erfelijk bezit en liet Israëls stammen in hun tenten wonen.
  56. En zij beproefden Elokim en waren weerspanning tegen Hem, de Allerhoogste en zijn getuigenissen bewaarden zij niet;
  57. en zij werden ontrouw jegens Hem en zij waren afvallig net als hun vaderen; en zij veranderden als een bedrieglijke boog,
  58. en zij vertoornden Hem met hun hoogten en met hun afgoden maakten zij Hem jaloers.
  59. En toen Elokim dat hoorde, werd Hij toornig en verachtte Hij Israël zeer,
  60. en verliet de tabernakel in Silo, de tent waarin Hij onder de mensen woonde;
  61. en Hij zette zijn sterkte in gevangenschap en zijn heerlijkheid in de hand van de onderdrukkers.
  62. Hij leverde zijn volk over aan het zwaard en werd vertoornd over zijn erfdeel;
  63. zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur en zijn maagden werden niet bezongen;
  64. zijn priesters vielen door het zwaard, en zijn weduwen weenden niet.
  65. En Hashem ontwaakte als één die sliep, als een held, overmand door de wijn;
  66. Hij sloeg zijn tegenstanders van achteren, eeuwig durende schande deed Hij hen aan.
  67. En Hij verachtte de tent van Jozef en de stam van Ephraim verkoos Hij niet.
  68. Maar Hij verkoos de stam Juda, de berg Sion, die Hij liefheeft;
  69. en Hij bouwde zijn heiligdom als [hemelse] hoogten, evenals de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte.
  70. En Hij verkoos David, zijn knecht en nam hem weg van de schaapskooien;
  71. van achter de zogende schapen bracht Hij hem, om Jakob, zijn volk en Israël zijn erfdeel te weiden.
  72. En hij weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart en leidde hen met kundige hand.

Malben - Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.