BSD

Psalm 22

     psalms
  • Elohim spreek uit Elokim is een gebruikelijke naam voor God in the Hebreeuwse Bijbel.
  • Hashem betekent letterlijk: "De Naam" en is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.
Vers 1: Rashi: Dit is een muziek instrument. Een andere verklaring is dat het gaat over het land Israël, dat een liefdevolle hinde is.

Rabbi Singer: Vers 1-3: Waarom zou Jezus, waarvan de kerk volhoudt dat hij God is, klagen dat, "God is zo ver weg is om mij te helpen?" Bij wie klaagt Jezus? Hoe is het mogelijk dat God, de eerste persoon van de Drie-eenheid, niet de kreten van God - de tweede Persoon van de Drie-eenheid, hoort? Bij wie klaagt deze veronderstelde god/mens? Waarom zou God überhaupt bij God klagen?

De psalmist is verward en verbijsterd als hij God smeekt, waarin hij gelooft, maar wanneer die zwijgt. Hij voelt alsof zijn gebeden opzij werden geschoven.

In de verzen die volgen, bevraagt David zijn gevoelens van verlatenheid bij het opsommen van de momenten waarop God geluisterd en tussenbeide kwam voor zijn voorouders. Als God en Jezus echt één entiteit waren, hoe of waarom zou God Zijn eigen hachelijke situatie niet begrijpen? Hoe kan God zich afvragen waarom God niet Zijn eigen gebeden hoort? Bovendien, wie zijn Gods voorouders?

Het toepassen van de woorden van Psalm 22 op Jezus daagt zelfs de meest vruchtbare verbeelding uit en legt een enorme druk op de leringen van de kerk.

Rabbi Singer Vers 17: In alle bijbelvertalingen wordt hier het Hebreeuwse woord "kaari" vertaald met "doorboord". Dit is een onjuiste vertaling. De betekenis van "kaari" is "als van een leeuw". Op andere plaatsen bijvoorbeeld Jesaja 38:13 wordt dit woord "kaari" door de vertalers vertaald met "als een leeuw". Waarom deze bewust verkeerde vertaling in Psalm 22. Er moet hier gesuggereerd worden dat deze Psalm over de kruisiging gaat.

Luther zei ooit eens "Das Word sollen Sie stehen lassen!" Waarom doet de kerk dat dan niet?
  1. Voor de dirigent, op de “ayeleth hashachar”, een psalm van David.
  2. Mijn Elokim, mijn Elokim waarom hebt U mij verlaten, [waarom] bent U zover [weg] om mij te redden [en] ver van woorden van mijn klagen.
  3. Mijn Elokim, ik roep bij dag en U antwoordt niet, en bij nacht houd ik mij niet stil.
  4. Maar U bent heilig; U troont op de lofzangen van Israël.
  5. Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij vertrouwden en U redde hen.
  6. Tot U hebben zij geschreeuwd en zij werden gered, op U hebben zij vertrouwd en werden niet beschaamd.
  7. Maar ik ben een worm en geen mens; [een voorwerp] van minachting van de mensen en veracht door het volk.
  8. Allen die mij zien spotten met mij, zij sperren de mond wijd open en schudden het hoofd.
  9. Wentel het op Hashem, Hij zal hem bevrijden, Hij zal hem redden, want Hij heeft welgevallen aan hem.
  10. U hebt mij uit de moederschoot getrokken. U deed mij veilig voelen aan de borst van mijn moeder;
  11. vanaf mijn geboorte ben ik aan uw zorg toegewezen, vanaf de moederschoot bent U mijn Elokim.
  12. Verwijder U niet van mij, want nabij is de nood en er is geen helper.
  13. Rondom mij zijn veel stieren, machtige stieren van Bashan omringen mij;
  14. zij sperren hun mond open als een verscheurende en brullende leeuw.
  15. Als water ben ik uitgegoten, al mijn beenderen zijn uiteengevallen; mijn hart is als was, gesmolten in mijn binnenste;
  16. mijn kracht is verdroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; U doet mij neerliggen in het stof van de dood.
  17. Want honden hebben mij omringd, een bende goddelozen heeft mij omgeven, als een leeuw, op mijn handen en mijn voeten.
  18. Ik telde al mijn beenderen, zij keken opmerkzaam en begerig naar mij.
  19. Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot over mijn gewaad.
  20. Maar U Hashem was niet ver van mij, mijn kracht, haast U tot mijn hulp.
  21. Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van de macht van de hond.
  22. Red mij uit de bek van de leeuw en van de hoornen van de wilde ossen. U antwoordt mij.
  23. Ik wil uw naam vertellen aan mijn broeders, te midden van de gemeente zal ik U prijzen.
  24. Jij die Hashem vreest, prijst Hem, alle nakomelingen van Jakob, eert Hem en vreest Hem alle nakomelingen van Israël.
  25. Want Hij heeft noch versmaad noch verafschuwd de ellende van de arme, noch zijn aangezicht voor hem verborgen, wanneer hij tot Hem schreeuwde, hoorde Hij.
  26. Vanwege U is mijn prijzen in een grote vergadering; ik betaalde mijn geloften in de aanwezigheid van die Hem vrezen.
  27. De armen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen Hashem prijzen, zij die Hem zoeken; jullie hart zal voor eeuwig leven.
  28. En alle einden van de aarde zullen gedenken en terugkeren tot Hashem, en alle geslachten van de volkeren zullen voor U buigen.
  29. Het koningschap is van Hashem en Hij heerst over de volkeren.
  30. De welgedanen van de aarde zullen eten en zich buigen; voor Hem zullen zij afdalen in het stof en knielen en zijn ziel zal niet leven.
  31. Het zaad dat Hem zal dienen; er zal van Hashem verteld worden aan het komende geslacht;
  32. zij zullen komen en van zijn gerechtigheid vertellen aan het volk dat geboren wordt, dat wat Hij heeft gedaan.

Malben - Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.