BSD

Parasja Tetsaweh Exodus 27:20- 30:10

een borstplaat

De parasja opent met de opdracht voor de kinderen van Israël om pure olijfolie aan de priesters te brengen opdat zij 's avonds de gouden kandelaar konden aansteken om haar de hele nacht constant te laten branden. Rasji schrijft hier bij het woord constant, tamied in het Hebreeuws, het volgende: wanneer het elke nacht de hele nacht brandt dan heet dit constant (tamied) branden, zoals ook gezegd wordt over het dagelijks brandoffer (Exodus 29:42, Numeri 28:6) dat ook tamied in het Hebreeuws heet en alleen dagelijks overdag werd gebracht. Hetzelfde geldt voor het platte pan offer van de hogepriester waar ook het woord constant, tamied gebruikt wordt, ook al wordt een deel van dit offer in de morgen en het andere deel in de avond gebracht. Het woord tamied wordt ook bij de toonbroden genoemd (Exodus 25:30) ook al betekent dit van sjabbat tot sjabbat, het is constant.

Na het gebod voor het brengen van zuivere olijfolie komt het gebod om kleding voor de priesters te maken. De priesterkleding is heilig en de priesters mochten alleen met deze speciale kleding in de tabernakel [en in de tempel] dienen. De priesterkleding diende voor de eer en de glorie van HaSjem.

De priesterkleding was met grote wijsheid en inzicht, nauwgezet overeenkomstig de voorschriften in de Tora gemaakt. De priesterkleding had het vermogen om de priesters tot grote spirituele hoogten op te heffen om HaSjem op de passende manier in de tabernakel te dienen. Deze kledingstukken zelf bezaten een vorm van heiligheid die voldoende was om een ieder die daarmee in aanraking kwam, te heiligen. (Ezechiël 44:19) Het dragen van de priesterkleding door de priesters en de hogepriester diende ook tot verzoening van de overtredingen van het volk Israël. Elk kledingstuk verzoende een bepaalde overtreding. De taak van de priesters was zeer groot en vroeg veel voorbereiding om hun werk goed uit te voeren.

De hogepriester droeg acht verschillende kledingstukken. De acht kledingstukken voor de hogepriester zijn de borstplaat, de efod, de mantel, de tuniek, de tulband, de toonplaat, de gordel en de broek. Laten wij deze kledingstukken eens nader beschouwen en laten wij met de efod beginnen.

efod en de borstplaat

De efod is gemaakt uit gouden draden, blauwe draden, paarse draden, draden van karmozijnrode wol en draden van fijn geweven linnen die door een meesterwever zijn gemaakt. Deze vijf soorten draden werden allereerst tot één werkdraad geweven. In het commentaar van Rasji wordt dit als volgt uitgelegd. Eén gouden draad werd aan zes draden van blauwe wol toegevoegd, één gouden draad aan zes draden van paarse wol, één gouden draad aan zes draden van karmozijnrode wol en één gouden draad aan zes draden van fijn geweven linnen. Zodoende bestond uiteindelijk één werkdraad uit achtentwintig dubbeldikke draden.

De efod is een soort kleurrijk schort dat over de andere kledingstukken heen van achteren gedragen werd en van voren vastgeknoopt werd. Aan de efod werden aan de achterkant twee schouderbanden met naald en draad bevestigd en de lengte van de schouderbanden reikte tot aan de voorkant van de schouders.

Op het uiteinde aan de voorkant van elke schouderband was een blokje goud bevestigd. Dat blokje goud was met een edelsteen ingelegd. Op elke edelsteen waren de namen van zes stammen volgens hun geboorte geschreven. Deze edelstenen worden ook wel de stenen van de herinnering genoemd om het volk Israël ten goede voor HaSjem te herinneren. Aan beide uiteinden van de schouderbanden was een blokje of een ring bevestigd om de borstplaat aan de efod te kunnen bevestigen. De efod diende als verzoening van afgoderij.

De borstplaat, de chosjen, die op het hart gedragen werd, bestond uit geweven stof en kostbare edelstenen. De stof was geweven uit een draad die evenals bij de efod uit vijf soorten andere draden bestond: gouden, blauwe, paarse, karmozijnrode wollen en fijn geweven linnen draden. De borstplaat werd op zodanige wijze geweven dat het patroon zowel aan de bovenkant als aan de onderkant was te zien.

De borstplaat had de vorm van een rechthoek voordat het tot een vierkant werd dubbelgevouwen. In deze vouw werd een stukje perkament waarop de Onuitsprekelijk Naam van HaSjem stond geschreven, geplaatst.

Aan de voorkant van de borstplaat werden twaalf verschillende edelstenen in vier rijen van drie geplaatst en met goud omgeven. Er bestaan verschillende opinies over hoe deze twaalf edelstenen en het goud op de borstplaat bevestigd zijn. Er bestaat een opinie dat de edelstenen op een gouden plaat zijn ingelegd en tezamen met de gouden plaat aan de borstplaat bevestigd zijn. Een andere opinie is dat de edelstenen met goud zijn omgeven en elke edelsteen apart op de borstplaat is bevestigd. Er bestaan tevens veel meningen over de gebruikte edelstenen. Het valt niet met zekerheid te zeggen welke edelstenen hier voor de borstplaat gebruikt zijn. De twaalf edelstenen komen overeen met het aantal stammen van het volk Israël. Op elke edelsteen werd de naam van één van de twaalf stammen in de volgorde van hun geboorte gegraveerd.

hogepriesterkleding in kleuren de hogepriesterkleding in zwart wit

Aan de twee bovenste hoeken van de borstplaat waren twee gouden ringen bevestigd. Door elke ring werd een gouden ketting geschoven en op deze wijze werd de borstplaat aan de bovenkant van de efod verbonden.

Aan de twee onderste hoeken van de borstplaat werden twee gouden ringen geplaatst. Door elke gouden ring werden blauwe draden geschoven en deze werden aan de ringen aan de achterkant van de efod bevestigd opdat de borstplaat niet van de efod zou worden afgescheiden.

De borstplaat heet ook wel de borstplaat van het recht (chosjen mishpat). De Urim en de Tumim die zich in de borstplaat bevinden spreken recht over het volk Israël en over al hun benodigdheden zoals er geschreven staat: 'En hij vroeg hem in de rechtspraak van de Urim'. (Numeri 27:21) Daarom heet het ook wel 'chosjen hamisjpat'.

De betekenis van het woord Urim is 'letters die licht geven' en het woord Tumim betekent compleet, geheel en zij vullen de Urim aan. De Urim en de Tumim zijn een stukje perkament waarop de Onuitsprekelijke Naam van HaSjem is opgeschreven. Dit stukje perkament bevindt zich in de vouw van de borstplaat achter de twaalf edelstenen. Wanneer de hogepriester een vraag stelde voor Mozes of in latere tijden voor de koning dan lichtten de Urim en de Tumim de letters in de borstplaat op. De letters die oplichtten vormden het antwoord op de gestelde vraag. Het was de taak van de hogepriester om de verlichte letters tot woorden en tot zinnen samen te stellen. Zo wisten de kinderen van Israël wat zij doen moesten.

Omdat de namen van de twaalf stammen niet alle 22 letters van het Hebreeuwse alfabet bevatten, bestaat er een traditie dat er tevens andere woorden over de borstplaat verspreid stonden: Abraham, Isaac, Jacob en de stammen van Jeshurun.

In het eerste hoofdstuk van Samuël1 staat geschreven dat hogepriester Eli Hanna die hartstochtelijk voor een zoon bad als een dronken vrouw beschouwde. Nadat Hanna haar situatie vertelde gaf Eli de hogepriester haar de zegen mee dat HaSjem haar gebed zal beantwoorden. De letters die in de borstplaat oplichtten waren heh, kaf, resj en sjin. Eli de hogepriester vormde van deze letters het woord sjikorah, dat een dronken vrouw betekent. De juiste lezing van deze letters was echter kesjerah, kosjer. Hanna was een kosjere en zuivere vrouw en daarom zegende Eli de hogepriester haar daarna, dat HaSjem haar gebed zal verhoren.

De borstplaat verzoent de vergissingen die door de rechters in de rechtspraak zijn gemaakt.

de mantel en tuniek

De mantel, hame'il.

De mantel bestond uit één geheel en was alleen uit blauw geweven stof gemaakt. Aan de bovenkant van de mantel bevond zich een opening voor het hoofd. De mantel werd op zo'n manier geweven dat het niet kon inscheuren, omdat er een verbod op stond om deze mantel te scheuren.

Er bestaat een opinie dat de blauwe mantel ook mouwen bezat. Onderaan de mantel waren granaatappels en gouden belletjes bevestigd. De granaatappels waren met blauwe, paarse en karmozijnrode draden gemaakt. De opinie van Rasji is dat de granaatappels en de gouden belletjes om beurten onderaan de mantel bevestigd waren: een granaatappel, een gouden bel, een granaatappel, een gouden bel enzovoorts. De opinie van de Ramban, Nachmanides, is dat de gouden bellen zich in de granaatappels bevonden.

Deze granaatappels en gouden bellen waren onderaan de mantel bevestigd opdat men de hogepriester kon horen wanneer hij de Tent van de Samenkomst betrad en ook wanneer hij het verliet, opdat hij niet zal sterven. Het is van het hoogste belang voor de hogepriester om al zijn kledingstukken op de juiste manier te dragen, bij het ontbreken van één kledingstuk kon hij sterven.

De mantel gold als verzoening voor kwaadsprekerij.

De toonplaat, hatsits.

De toonplaat moest van zuiver goud worden gemaakt. Op de toonplaat moesten de woorden 'Heilig voor HaSjem' worden gegraveerd. Het is niet duidelijk of deze twee Hebreeuwse woorden in één of in twee rijen gegraveerd zijn.

De toonplaat bevond zich op het voorhoofd van de hogepriester. De toonplaat werd door middel van drie blauwe koorden aan de achterkant in de nek verbonden. De toonplaat had drie openingen. Eén koord werd door de opening aan de rechterkant geregen, één koord werd door de opening aan de linkerkant geregen en één koord werd door de opening die zich in het midden van de bovenkant van de toonplaat bevond, geregen. Deze drie blauwe koorden werden aan de achterkant in de nek van de hogepriester verbonden. Het blauwe koord dat vanuit het midden werd geregen moest ook over de tulband van de hogepriester heen reiken. Een andere naam voor de toonplaat is de heilige kroon zoals dat in Exodus 29:6 is geschreven.

De toonplaat verzoent arrogantie.

De tuniek, haketonet.

De tuniek is uit linnen stof gemaakt en deze stof is in blokjes gewoven voor de sier. De tuniek reikte tot boven de hiel en de mouwen reikten tot aan de pols.
De tuniek verzoent bloedvergieten.

De tulband, hamitsnefet.

De tulband was ook uit linnen stof gemaakt en was de hoofdbedekking voor de hogepriester.
De tulband verzoent hoogmoedigheid.

De gordel, ha'avnet.

De linnen gordel die 32 amah lang was, droeg de hogepriester om zijn taille om de tuniek heen. Het getal 32 in het Hebreeuws is de getalswaarde van het woord voor hart. [lev: lamed-30 en beth-2]
De gordel verzoent 'de begeerten van het hart'.

De broek, hamichnasajim.

De linnen broek reikte van zijn taille tot aan zijn heupen om zijn naaktheid te bedekken.
De broek verzoent de verboden relaties.

De priesterkleding voor de zonen van Aäron bestond uit vier kledingstukken die uit linnen gemaakt waren: de tuniek, de gordel, de hoofdbedekking en de broek.

De zeven inwijdingsdagen.

nog een efod

Nadat de bouw van de tabernakel was voltooid, de voorwerpen en de priesterkleding gereed waren, beval HaSjem Mozes om de eerste zeven dagen offers te offeren en om de priesters te heiligen door Aäron en zijn zonen en hun priesterkleding met zalfolie te bestrijken.
Mozes onderwees de priesters hoe zij de dienst van de tabernakel moesten uitvoeren opdat zij dat in alle heiligheid en volkomenheid zoals dat in het Huis van HaSjem past, zouden doen.
Zeven dagen lang werden er dagelijks drie offers gebracht, een stier als zondoffer, een ram voor het dagelijks offer en een ram dat als een speciaal offer alleen in deze inwijdingsdagen werd gebracht.
Tezamen met de offers werden drie soorten broden gebracht: de ongerezen broden, ongerezen broden die met olie waren bestreken en ongerezen koeken die met olie waren bestreken. Van elke soort werden er tien gebracht.

De heiliging van de priesters bestond uit de volgende fasen. Allereerst moesten de priesters een ritueel bad nemen; vervolgens trok Mozes Aäron en zijn zonen de priesterkleding aan; Mozes goot zalfolie over het hoofd van Aäron; de zonen van Aäron bestreek Mozes met de zalfolie; Mozes sprenkelde van de zalfolie op de kleding van Aäron en zijn zonen; Mozes deed van het bloed van het offer op het rechter oor en op de duim van de rechterhand en op de grote teen van de rechtervoet van de priesters; Mozes besprenkelde van het bloed van het offer op de kledingstukken van Aäron en zijn zonen en Mozes droeg de priesters op aan HaSjem.

De priesters hielden zich bezig met de offers op gebod van HaSjem en na dit hele proces waren Aäron en zijn zonen en al hun nakomelingen voor eeuwig geheiligd en geschikt gemaakt om als priesters in het Huis van HaSjem te dienen.

Deze zeven inwijdingsdagen waren de laatste zeven dagen van de twaalfde maand, de maand Adar. Op de eerste dag van de maand Nisan van het tweede jaar begon de dienst van de tabernakel.

Na de instructies voor het brengen van het dagelijks offer aan de ingang van de tabernakel en na de beschrijving over het verblijven van de Goddelijke Verschijning in de tabernakel wordt het wierookaltaar beschreven.

Het wierookaltaar is van cederhout gemaakt en met zuiver goud bedekt en stond in het 'Heilige' deel van de tabernakel. Het wierookaltaar stond parallel aan de ark die in 'het Heilige der Heiligen' stond.

Dit altaar komt onder drie verschillende namen in de Tora voor. De eerste naam voor dit altaar is het gouden altaar omdat het cederhout van dit altaar met goud was bedekt. De tweede naam is het binnenste altaar omdat dit altaar in het 'Heilige' deel van de tabernakel stond en de derde naam is het wierookaltaar omdat er dagelijks het wierookoffer op werd gebracht.

Het wierookoffer werd tweemaal daags op het wierookaltaar gebracht. Een deel van het wierookoffer werd 's morgens en een deel werd tegen de avond in de schemering gebracht.

Eenmaal per jaar, op de Grote Verzoendag, gaf de hogepriester op de horens van het altaar het bloed van het zondoffer ter verzoening.

Je hebt je misschien wel afgevraagd waarom het wierookaltaar in deze parasja wordt beschreven en niet in de vorige parasja Teroemah tezamen met de andere voorwerpen die in de tabernakel stonden?

De Rabbi van Lubawitsch heeft hiervoor een volgende verklaring. De dienst van het wierookaltaar was de voornaamste dienst en het uiteindelijke doel van de bouw van de tabernakel. Bij de dienst van de andere voorwerpen in de tabernakel bevond de hogepriester zich niet alleen in de tabernakel. Dit was echter niet het geval met het gouden altaar waarop de wierookoffers werden gebracht. Hier gold een verbod om met een ander dienstdoende priester het gouden altaar te benaderen zoals ook met betrekking op het brengen van het wierookoffer in de tabernakel in Leviticus 16:17 is geschreven dat ten tijde van dit offer geen enkel ander mens in de tabernakel aanwezig mocht zijn. Zelfs de engelen waren op het moment van het brengen van het wierookoffer niet in de tabernakel aanwezig. (Talmoed Jerusjalmi, Tractaat Joma 5) De hoogst verheven dienst is op dat moment waarop de mens HaSjem dient wanneer geen andere mensen aanwezig zijn. Dat betekent dan ook dat de priester zich afzonderlijk met HaSjem moest bevinden. Het geschrevene wil ons zeggen dat de volkomenheid van de dienst van HaSjem niet in de aanwezigheid van andere mensen kan geschieden, omdat daar de vrees bestaat dat de dienst dan voor respect, eer en aanzien kan worden uitgevoerd. De volkomenheid van deze dienst kan alleen in de verborgenheid en in alle nederigheid plaats vinden. Daarom is ook het gouden altaar afgescheiden van de andere voorwerpen en komt het niet samen met de andere voorwerpen in parasja Teroemah voor.

Deze parasja wordt jaarlijks op sjabbat omstreeks de zevende Adar gelezen. Zeven Adar is zowel de geboortedag als de dag van het overlijden van Mozes. Juist in deze parasja komt de naam van Mozes niet voor.

'Delg mij maar uit Uw boek'. (Exodus 32:32) Dat was de reactie van Mozes aan HaSjem toen HaSjem niet bereid was om het volk Israël de zonde van het gouden kalf te vergeven. Uiteindelijk heeft HaSjem op aandringen van Mozes de zonde van het gouden kalf vergeven. Toch hebben uitgesproken woorden invloed en zo komt de naam van Mozes in alle parasjas van Exodus, Leviticus en Numeri voor behalve in deze parasja Tetsaweh.

Gebruikte literatuur

Het commentaar van Rasji
'The priestly garments' uit www.templeinstitute.org
Werkboek bij Choemasj Sjmot voor Talmoed Torah, Rabbijn Avraham Sjosjan, 5773
Dvar Malchoet, parasja Tetsaweh, 5775

Jael

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.