BSD

Parasja Teroemah Exodus 25:1-27:19

"En HaSjem sprak tot Mozes: Spreek tot de kinderen van Israël en laat hun een offerande voor Mij geven, van een ieder wat zijn hart ingeeft om te geven, zul je Mijn offerande nemen." (Exodus 25:1-2)

De Rabbijnen hebben gezegd dat in dit vers het volk Israël drie offeranden werd opgedragen. De eerste en de tweede offeranden betreffen de heffing van de halve sjekel. Deze heffing werd deels voor het maken van de voetstukken gebruikt en deels voor het kopen van de dagelijkse offers voor het hele volk.
De derde offerande is de vrijgevigheid van ieder persoonlijk voor de Tabernakel en van deze offerande werden de Tabernakel en de bijbehorende voorwerpen gemaakt. Deze offeranden bestonden uit vijftien verschillende materialen:

  1. De drie kostbare metalen: goud, zilver en koper.
  2. Vervolgens vijf soorten draden: blauwe, paarse en karmozijn draden van wol, draden van linnen en draden van geitehaar.
  3. Roodgeverfde huiden van rammen en huiden van de tachash. [De tachash is een dier dat alleen voor de bouw van de tabernakel geschapen is en alleen in die periode leefde. De tachash had een veelkleurige huid].
  4. Cederhout. [Aartsvader Jacob had al voorzien dat het volk Israël de Tabernakel in de woestijn zou bouwen. Daarom had hij cederbomen mee naar Egypte genomen en daar geplant. Jacob gaf zijn kinderen de opdracht om deze cederbomen mee te nemen wanneer zij Egypte zouden verlaten, Rasji].
  5. Olijfolie voor het licht.
  6. Specerijen voor de zalfolie en voor het wierookoffer.
  7. Shoham stenen (onyx).
  8. Edelstenen die de holtes van goud opvulden voor de efod en de chosjen (de borstplaat).
De Tabernakel
De tabernakel was een draagbaar en verplaatsbaar huis van HaSjem dat zich in het midden van het tentenkamp van het volk Israël bevond. De tabernakel bestond uit twee delen:
het Heilige der Heiligen waarin de ark stond
en het Heilige waarin de tafel van de toonbroden, de zevenarmige kandelaar en het gouden altaar stonden.
Het voorhangsel scheidde het Heilige der Heiligen van het Heilige.
De tabernakel was omgeven met goud bedekte cederhoutplanken die in zilveren voetstukken stonden.
De tabernakel was bedekt met een kleed dat van verschillende soorten draden geweven was en daar lagen kleden die van huiden waren gemaakt bovenop.
Rondom de tabernakel was de voorhof en in de voorhof stonden het koperen altaar en het waterbassin. De voorhof was afgebakend met pilaren en schermen van gevlochten gaaswerk die rondom de pilaren gespannen waren.

Het voornaamste doel van de bouw van de Tabernakel en de bijbehorende voorwerpen was om de manifestatie van HaSjem onder het volk Israël te laten wonen. De Ark wordt als eerste omschreven omdat de Ark die in het Heilige der Heiligen stond, de plaats was waar HaSjem woonde.

Hoe is het mogelijk dat HaSjem, Die zo groot en zo machtig is, Zich in zo'n kleine plek kon bevinden? Juist daarin ligt Zijn Grootheid!

De volgende anecdotes maken dit concept misschien iets duidelijker.

Over de Rabbi van Kotsk wordt er verteld dat hem eens gevraagd werd waar HaSjem Zich bevindt. Hij gaf daarop het volgende antwoord: HaSjem bevindt Zich daar waar zij HaSjem binnenlaten.

Over de Rabbi van Sochtsjow wordt er verteld dat hij als kind eens door iemand gevraagd werd die tegen hem zei: 'Ik zal je een munt geven wanneer je mij kunt zeggen waar HaSjem Zich bevindt.' Het kind antwoordde hier met grote wijsheid op: 'Ik zal jou twee munten geven wanneer je mij kunt vertellen waar HaSjem niet is!'

De Ark bestond uit drie 'kisten'. De middelste kist was van cederhout gemaakt en de binnenste en de buitenste kisten waren van zuiver goud.

De Ark was van binnen en van buiten met goud bedekt. Dat betekent dat je niet alleen aan de buitenkant als een vroom persoon eruit moet zien, maar dat ook je binnenkant, je innerlijkheid van goud dient te zijn.

Boven op de Ark lag het verzoendeksel en op het verzoendeksel stonden twee cherubijnen. Het verzoendeksel en de cherubijnen waren als geheel uit één brok goud gemaakt. De cherubijnen op het verzoendeksel stonden met de gezichten naar elkaar toe. (Exodus 25:20) In het boek 2 Kronieken 3:13 vinden wij de beschrijving van de cherubijnen die met hun gezichten naar buiten toe wezen. Bij de eerste beschrijving werd de wil van HaSjem gedaan en stonden de gezichten naar elkaar toe. Maar in 2 Kronieken wordt een situatie beschreven waarin de wil van HaSjem niet werd gedaan. Om de wil van HaSjem uit te voeren is het noodzakelijk je medemens aan te kijken en waar nodig een helpende hand uit te reiken.

In de Ark bevonden zich de brokstukken van de eerste stenen tafelen, de tweede nieuwe tafelen en de Tora rol die Mozes had geschreven.

De Ark
De Ark heeft verschillende namen:
  1. De Ark wordt in Exodus 25:22 de Ark van de Getuigenis genoemd.
  2. In Deuteronomium 10:8 wordt de Ark de Ark van het Verbond van HaSjem genoemd.
  3. In Jozua 3:6 heeft de Ark de naam van de Ark van het Verbond.
  4. In Jozua 3:13 heet de Ark de Ark van HaSjem, de Heer van de hele aarde.
  5. In 1Samuel 3:4 wordt de Ark de Ark van HaSjem (Eloqim) genoemd.
Tafel der Toonbroden
Na de beschrijving van de ark wordt de tafel van de toonbroden (Exodus 25:23-30) beschreven.

De tafel was van cederhout gemaakt en met zuiver goud bedekt. Bij de tafel hoorden de vormen waarin de gebakken broden werden gelegd, de lepels voor de hars-wierook (levonah) en de halve holle buizen die gebruikt werden om de vormen met de broden op de verdiepingen die op de tafel aanwezig waren, te schuiven. Deze broodvormen, lepels en halve holle buizen waren van zuiver goud gemaakt.

Twaalf toonbroden lagen op de tafel. Het getal twaalf verwijst naar de twaalf stammen. Op vrijdag werden twaalf verse toonbroden gebakken. Op sjabbat werden de 'oude' toonbroden van de tafel gehaald en de verse toonbroden kwamen in de plaats van de 'oude' toonbroden te liggen.
Het was een wonder dat het 'oude' brood dat een week lang op de tafel heeft gelegen nog even vers was als op de dag waarop het gebakken was!
De toonbroden werden door de priesters gegeten en de hars wierook dat een week lang met de broden op de tafel had gelegen werd met het weghalen van de 'oude' broden op het altaar verbrand.

De tafel van de toonbroden stond aan de noordkant in het Heilige deel van de tabernakel en symboliseerde de zegen en de materiële overvloed die HaSjem in de wereld geeft.

Het brood heeft verschillende namen.
  1. In Exodus 23:30 heet het brood, de toonbroden die altijd voor Mij liggen.
  2. In Exodus 35:13 wordt het toonbrood genoemd.
  3. In Numeri 4:7 heet het brood het eeuwige brood.
  4. In 1 Kronieken 9:32 wordt het brood van de opstelling (ma'arechet) genoemd.
Vervolgens wordt de Kandelaar, de Menora (Exodus 25:31-40) beschreven.
De Kandelaar

De zevenarmige kandelaar is uit een brok zuiver goud gemaakt.
De basis van de kandelaar is te vergelijken met een doos met drie poten die naar beneden staken.
De 'stam' is de middelste arm die vanuit de basis recht omhoog wijst. Aan de top van deze middelste arm was de middelste lamp bevestigd die er als een lepel uitzag en waarin de olie in werd gegoten en de lont werd geplaatst.
Uit deze stam kwamen ook de andere zes armen voort. Elke arm bestond uit drie bekers, een knop en een bloem.

Over de vorm van de kandelaar bestaan verschillende opinies. De gebogen ronde vorm van de armen is de meest bekendste vorm. Volgens de opinie van de Rambam (Maimonides) zijn de armen recht van vorm zoals de illustratie dat laat zien.

Rabbijn Jacob Sjimsjon uit Sjpitiwka heeft gezegd dat elk openingsvers van de vijf boeken van de Tora een verwijzing naar de kandelaar hebben.
  1. Het eerste boek Beresjit, Genesis opent met een vers dat uit zeven Hebreeuwse woorden bestaat en dit verwijst naar de zeven armen van de kandelaar.
  2. Het tweede boek Sjemot, Exodus opent met een vers dat uit elf woorden bestaat en dat verwijst naar de elf knoppen die de kandelaar heeft.
  3. Het derde boek Wajiqra, Leviticus, opent met een vers dat uit negen woorden bestaat en dat verwijst naar de negen bloemen die de kandelaar heeft.
  4. Het vierde boek Bamidbar, Numeri, opent met een vers dat uit zeventien woorden bestaat en dat naar de hoogte van de kandelaar verwijst die 17 handbreedten hoog was. [Over de hoogte van de kandelaar bestond een geschil tussen de Wijzen. Er zijn er die zeggen dat de kandelaar 17 handbreedten hoog is en er zijn er die zeggen dat de hoogte van de kandelaar 18 handbreedten was.]
  5. Het vijfde boek Devarim, Deuteronomium, opent met een vers dat uit twee en twintig woorden bestaat en dat verwijst naar de twee en twintig bekers die de kandelaar heeft.
De bijbehorende gebruiksvoorwerpen waren een soort tangen die dienden om de lonten uit de lamp te verwijderen en een soort schoppen die dienden om het as uit de tabernakel te verwijderen.

Het koperen altaar (Exodus 27:1-8) is het laatste voorwerp dat in deze parasja wordt beschreven.
De Kandelaar
Het wierookaltaar dat in het Heilige stond, komt in de volgende parasja Tetsaweh (Exodus 27:20-30:10) aan de orde en in de daarop volgende parasja Ki Tisa (Exodus 30:11-34:35) staat het waterbassin dat in de voorhof stond, beschreven.

Het koperen altaar komt onder verschillende namen voor:
  1. Het buitenste altaar, omdat het in de voorhof buiten de tabernakel stond.
  2. Het brandofferaltaar omdat de brandoffers (en de vredeoffers) hierop gebracht werden.
  3. Het koperen altaar omdat het cederhout met koper was bedekt.
  4. Het aarden altaar omdat de ruimte in het altaar met aarde was gevuld.
Het koperen altaar was van cederhout gemaakt en was met koper bedekt. Het koperen altaar bestond uit een basis en op de basis bevond zich het onderste deel van het altaar dat leeg was. Bovenop het onderste deel bevond zich een koperen rasterwerk dat aan het altaar verbonden was. Het koperen rasterwerk was bedoeld om het onderste deel van het bovenste deel te scheiden. Bovenop het koperen rasterwerk bevond zich het bovenste deel dat ook leeg was en daar bovenop waren vier hoorns op de vier hoeken gemaakt. Op die vier hoorns werd het bloed van de offers geworpen. Op het dakdeel van het altaar werden de offers gebracht en tevens bevond zich daar het voortdurend brandende licht. De helling die bij het koperen altaar gebouwd werd om de offers op het altaar te kunnen brengen had geen treden. (Rasji op Exodus 20:23)

De bijbehorende gebruiksvoorwerpen waren ketels die dienden om het afval van het altaar te verwijderen. Met de bijbehorende scheppen werd het afval in de ketels gedaan.
Er waren sprenkelbekkens die dienden om het bloed op te vangen en op het altaar te sprenkelen. Vleeshaken dienden om het vlees van de offers om te keren en er waren een soort schoppen om de kolen van het koperen altaar naar het wierookaltaar te brengen.

Gebruikte literatuur:

Het commentaar van Rasji.
Werkboek Choemasj Sjmot voor Talmoed Tora, Rabbijn Avraham Sjosjan.
Besod HaParasja gebaseerd op de leringen van de Lubawitscher Rebbe.
Lehitaneg beta'anoegim, een uitgave van Malchoet Waxberger.

Jael

Amah is de afstand tussen de elleboog en de middelvinger. Amah is in het Hebreeuws de naam voor de middelvinger.

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.