BSD

titel

Wij maken nu een begin met het tweede boek van Mozes. Dit boek heeft de naam Exodus in het Nederlands meegekregen. Exodus betekent uittocht en de uittocht is van grote betekenis voor het joodse volk geweest. De Hebreeuwse naam van dit boek is Sjemot en betekent namen. Het heet ook wel het boek van de ge'ula, het boek van de verlossing.

En dit zijn de namen van de kinderen van Israel die naar Egypte kwamen, Exodus 1:1.

Wij vinden hier een herhaling van de namen van Jacob en de zonen die met hun hele huishouding naar Egypte kwamen. In het eerste boek van Mozes is deze opsomming al beschreven (Genesis 46:8-27) waarom hier opnieuw? In Genesis heeft HaSjem Jacob en zijn huishouding tijdens hun leven geteld en nu in het boek Exodus telt HaSjem hen na hun dood weer om ons te laten weten hoe dierbaar zij in de ogen van HaSjem waren. Zij worden vergeleken met de sterren die HaSjem met naam en in getal [vanachter de horizon] tevoorschijn haalt en weer terugbrengt zoals dat beschreven staat in Jesaja 40:26.

Een ieder van de zeventig zielen die naar Egypte afdaalden was een uniek individu met zijn eigen bijzondere sterke eigenschappen en zwakheden. Een naam geeft identiteit en onderscheid aan een persoon. Dit geldt met name voor de namen die in de Tora voorkomen. De namen in de Tora van personen en plaatsnamen dienen om hun unieke eigenschappen uit te drukken en om hun specifieke functie en rol te kunnen uitvoeren. Mede door de onveranderde naamgeving tijdens de 210 jaar van slavenarbeid in Egypte kon het joodse volk bevrijd worden.

Jacob en de twaalf stammen zijn inmiddels gestorven en voor hun nakomelingen brak een nieuw tijdperk aan, een tijdperk van slavenarbeid. In Exodus 1:8 staat dat er een nieuwe koning over Egypte opstond. Aangaande de betekenis van een nieuwe koning bestaan er twee opinies: of een werkelijk nieuwe koning of de koning die Jozef had gekend, maar de goedheid van Jozef vergeten was en nieuwe decreten had uitgevaardigd. Koning Farao was namelijk bang dat het joodse volk, dat gigantisch in aantal gegroeid was, als binnenlandse vijand aan zijn buitenlandse vijanden zou worden toegevoegd. Ondanks de slavenarbeid die het joodse volk opgelegd kreeg, bleef het joodse volk enorm in aantal groeien omdat elke zwangere vrouw een zes-ling baarde.

De slavenarbeid waaronder het joodse volk gebukt ging was geen gewone slavernij. Het was een slavenarbeid dat het lichaam brak en afmatte. De slavenarbeid van het joodse volk had geen maat noch nut. De namen van de steden die zij moesten bouwen duidden dit al aan. Pitom en Raamses waren niet geschikt om tot voorraadsteden gebouwd en versterkt te worden. Pitom was de stad die altijd plotseling instortte en de opbouw daarvan was zinloos, het zou binnen de kortste keren weer instorten. [Pitom betekent plotseling in het Hebreeuws] De stad Raamses verkeerde zoals de naam aanduid [gebaseerd op het werkwoord hitmoses, ontbinden] in een toestand van afbrokkeling.

Naast de slavenarbeid gebood Farao de Hebreeuwse vroedvrouwen om de jongens bij hun geboorte te doden. De astrologen van Farao hadden hem meegedeeld dat er in de toekomst een jongen geboren zou worden die de verlosser van het joodse volk zou zijn. De meisjes mochten zij laten leven. De Hebreeuwse vroedvrouwen, Sjifra (= Jocheved) en Puah (= Mirjam) vreesden echter HaSjem en voerden het besluit van de Farao niet uit. Hasjem gaf daarom aan de vroedvrouwen huizen. (Exodus 1:21) Wat voor huizen gaf HaSjem? De huizen van priesterschap, van Levieten en van koningschap. Jocheved ontving het huis van priesterschap en het huis van de Levieten. Mirjam ontving het huis van het koningschap.

titel In Exodus 1:22 gaf Farao het bevel om alle jongetjes in de Nijl te werpen. Niet alleen de Hebreeuwse jongetjes maar ook de Egyptische jongetjes. De meisjes mochten blijven leven. Op een later moment toen Jocheved haar zoon Mozes in een biezen mandje in de Nijl legde, werd het bevel om alle jongetjes te doden en in de Nijl te werpen opgeheven. De astrologen van Farao hadden met deze daad van Jocheved begrepen dat de toekomstige verlosser van het joodse volk in het water omgekomen was.

In hoofdstuk twee lezen wij over het huwelijk van een man uit de stam Levi met een dochter uit de stam Levi. Toen Farao bevolen had om alle jongetjes te doden, had Amram een vooraanstaande persoon van de stam Levi besloten om van zijn vrouw Jocheved te scheiden. Vele anderen hadden zijn voorbeeld gevolgd. Mirjam de oudste dochter van Amram en Jocheved, zei echter tegen haar vader dat zijn beslissing veel wreder was dan het bevel van Farao. Farao wilde alleen de jongetjes doden maar hij, Amram liet ook geen meisjes leven. Amram trouwde hierop opnieuw met Jocheved. Ook de anderen volgden hen en hertrouwden.

Jocheved werd zwanger en baarde na een zwangerschap van zes maanden en een dag een zoon en het hele huis was met licht gevuld. Zij slaagde erin om haar zoon drie maanden te verbergen. De Egyptenaren hielden haar vanaf het huwelijk in de gaten en daarom kwamen zij negen maanden later controleren.

Jocheved maakte een biezen mand en met gebed aan HaSjem dat haar zoon in leven mag blijven, plaatste zij het biezen mandje in de Nijl. Mirjam stond op afstand toe te kijken wat er met haar kleine broer gebeuren zou. Daar kwam de dochter van de Farao aan om in de Nijl te baden. Zij zag het biezen mandje en liet het naar haar toehalen: of door middel van haar slavin of door middel van de verlengde arm van de prinses zelf. Het woord voor slavin en arm (amah, alef-mem-heh) is namelijk identiek. Zij nam de jongen met zich mee en gaf hem de naam Mosje, Mozes. Mozes weigerde echter van een Egyptische vrouw te drinken en daarom raadde Mirjam, die haar broer de hele weg vergezeld had, de prinses aan om een Hebreeuwse vrouw voor hem te zoeken. De prinses stemde daarmee in en zo kon Mozes nog enige tijd in zijn eigen huis verkeren om kosjere moedermelk te drinken en om de joodse traditie in zich op te nemen.

Mozes groeide verder op in het paleis van de Farao. Aldaar werd hij als manager over het huis van Farao aangesteld. Toen Mozes volwassen was, ging hij uit naar zijn broeders die onder de slavenarbeid gebukt gingen. Mozes kon het leed niet verdragen en doodde een Egyptenaar die een Hebreeuwse man had geslagen. De volgende dag toen Mozes naar zijn broeders ging en zich met een onderlinge ruzie tussen twee Hebreeuwse mannen bemoeide, bleek dat zij op de hoogte waren van de doodslag van de Egyptenaar en dat zij de Farao daarover informeerden. Zodoende moest Mozes vluchten.

titel In Midjan aangekomen redde hij de dochters van Jetro bij de bron van de andere herders en Jetro gaf hem zijn dochter Tsippora tot vrouw. Tsippora baarde hem twee zonen: Gersjom - als een vreemdeling in een vreemd land - en Eliezer - HaSjem is mijn hulp. In de Midjan periode weidde Mozes de kudden van zijn schoonvader. Om een goede leider te zijn is het niet voldoende om het volk te verdedigen, te verlossen, te onderwijzen en te regeren, het is ook zorgen voor en koesteren. Dat laatst genoemde element van leiderschap komt nu in het weiden van de kudden van Jetro naar voren. Mozes is niet alleen de redder van Israel, hun leraar en wetgever, hij is bovenal een trouwe herder voor zijn volk. Nu is dan ook de tijd gekomen om het volk Israel uit de slavernij te bevrijden. De Farao is dood. HaSjem heeft het geschreeuw van het volk Israel gehoord en HaSjem verscheen aan Mozes vanuit een brandende braamstruik op de berg Horeb.

HaSjem gaf Mozes de opdracht om het volk Israel uit de slavernij te verlossen en hen naar het beloofde land van de aartsvaders Abraham, Isaac en Jacob te brengen. Een land vloeiend van melk en honing. Maar Mozes weigerde. Mozes bracht allerlei excuses naar voren om niet te gaan. Dat lijkt ogenschijnlijk vreemd. Aartsvader Abraham stond onmiddellijk op om de opdracht van HaSjem uit te voeren. Wat is de reden van Mozes' weigering? Mozes wist dat hij het beloofde land niet zou binnengaan. Dat betekende dat hij niet instaat zou zijn om de eind-verlossing voor het volk Israel te brengen. Het volk zou daarom nog andere ballingschappen moeten doorstaan. Daarom vroeg hij HaSjem om een ander uit Zijn hand te sturen. (Exodus 4:13) Wie bedoelde Mozes daarmee? Hij bedoelde diegene die HaSjem in de laatste dagen zal sturen, de Mesjiach. De liefde en erbarmen van Mozes voor het volk Israel was zo groot dat hij hen het lijden in de toekomstige ballingschappen wilde besparen en daarom weigerde hij naar Farao in Egypte toe te gaan.

In Exodus 3:14 staat dat Mozes het volk kan zeggen dat Ehjeh hem gestuurd heeft. Waarom juist deze Naam, Ehjeh asjer Ehjeh, Ik zal zijn die Ik zijn zal? HaSjem heeft vele Namen. Elke Naam hoort bij een bepaalde handeling of aspect van HaSjem. Zo is bijvoorbeeld de Naam Eloqim verbonden aan het gericht en de Onuitsprekelijke Naam is verbonden aan de barmhartigheid, het erbarmen van HaSjem. De Naam Ehjeh houdt in dat HaSjem voor altijd verborgen aanwezig is. Zo Hij in het lijden van het volk Israel in Egypte op verborgen wijze aanwezig was, zo zal HaSjem ook in de toekomstige ballingschappen van het joodse volk verborgen aanwezig zijn.

De tekenen die Mozes onmiddellijk na zijn kwaadsprekerij over het volk Israel ontving [Exodus 4:1 dat het volk hem niet geloven zou] hadden beiden een directe relatie met kwaadsprekerij. De staf die in een slang veranderde was een verwijzing naar de slang die in het paradijs lastertaal over HaSjem had gesproken en Eva met listige woorden verleid had. Het tweede teken, de melaatse arm, was een straf op het ongepaste taalgebruik van Mozes. In Numeri 12:1-10 werd Mirjam melaats omdat zij kwaad gesproken had over haar broer Mozes.

Nadat Mozes alle instructies van HaSjem had ontvangen ging hij naar zijn schoonvader Jetro om toestemming te vragen om terug naar Egypte te mogen gaan. Na de zegen van Jetro plaatste Mozes zijn vrouw en zonen op de ezel en zij gingen op weg. Deze ezel was dezelfde ezel waarmee aartsvader Abraham met zijn zoon Isaac op pad ging [Genesis 22:1-19] en zal ook de ezel zijn waarop de Mesjiach zal rijden. In een herberg onderweg kwamen zij de doodsengel tegen die Mozes wilde doden. Tsippora begreep de reden hiervoor en zij nam snel een scherpe steen en besneed haar zoon Eliezer en daarmee was het gevaar geweken.

Ondertussen was Aaron onderweg, zijn broer Mozes tegemoet. Aaron droeg geen enkel spoor van haat of jaloersheid ten opzichte van zijn jongere broer die uitgekozen was om het volk uit Egypte te leiden. Aaron was een man van vrede en deed alles om de vrede tussen de mensen te bewaren. Door de goedheid van zijn hart kreeg Aaron later als hogepriester de chosjen, de borstplaat, op zijn hart te dragen waarop de namen van de twaalf stammen stonden.

Het weerzien tussen de twee broers was goed. Mozes vertelde Aaron alles wat HaSjem hem gezegd had. Samen met de zeventig oudsten gingen zij naar het volk en Aaron vertelde het volk alles wat HaSjem aan Mozes gezegd had. Ook lieten zij de tekenen zien en het volk geloofde hen.

titel Vervolgens gingen Mozes en Aaron in opdracht van HaSjem naar het paleis van Farao toe om toestemming te vragen voor het volk om in de woestijn offers aan HaSjem te brengen. Maar HaSjem verhardde het hart van Farao en Farao liet het volk niet gaan. Hij gaf juist opdracht om de slavenarbeid te verzwaren. Nu moesten zij zelf ook het stro voor het bakken van de stenen verzamelen en toch hun dagelijkse hoeveelheid stenen blijven afleveren. Het leven werd er alleen maar zwaarder door. Het volk ging nog zwaarder gebukt onder de slavenarbeid. De joodse opzieners gingen naar Farao toe om te klagen wat hij zijn slaven had aangedaan. Van enige verlichting was geen sprake en alles leek zwarter dan ooit te voren. Toen zij het paleis verlieten kwamen zij Mozes en Aaron tegen en klaagden hen aan. Ook Mozes vroeg HaSjem waarom Hij het leven van het volk verslechterd had en waarom HaSjem hem gestuurd had. HaSjem antwoordde hierop dat hij vanaf nu zal zien wat HaSjem met de Farao zal doen. Met een sterke hand zal hij het volk wegzenden en met een sterke hand zal hij het volk uit zijn land jagen.

Hoe HaSjem met Farao te werk zal gaan hopen wij in de volgende parasja te lezen.

Parasjat Wa'era, Exodus 6:2- 9:35.
Profetenlezing, Ezechiel 28:25-26, 29:1-21.

Gebruikte literatuur
Bijbelcommentaar van Rasji.
Gesprekken van de Lubawitscher Rebbe over de wekelijkse portie.

Jael

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.