BSD

Inleiding op de wekelijkse portie serie

Familie Sivan. Bloeiende boom Voordat wij met deze nieuwe serie beginnen is het nodig om over enige achtergrond informatie te beschikken om op een juiste manier de Tora te kunnen bestuderen. De Tora, de TaNaCH, is niet alleen een verzameling van verhalen of een beschrijving van geschiedenis, het is veel meer dan dit alles.
Tora komt van het woord onderwijs. In het huidige Hebreeuws is het woord voor onderwijzer moreh en voor onderwijzeres morah. De Tora heeft tijdloze levenslessen voor iedereen in elke generatie. De wereld is misschien wel door natuurrampen en revoluties veranderd, maar de mens met zijn lusten en verlangens is door de eeuwen heen dezelfde gebleven.
Het bestuderen van de Tora is niet alleen het vergaren van zoveel mogelijk kennis om HaSjem en de wereld beter te leren kennen, het is ook een toepassing van het geleerde in het dagelijkse leven. Tora studie zonder praktische toepassing is niet volledig. Bij elk gedeelte dat er gelezen of geleerd wordt moet een ieder zich afvragen wat hij hiervan kan leren. Waar moet hij zijn gedrag verbeteren, waar moet hij beter opletten in de omgang met de medemens.
Tora studie brengt als het goed is niet alleen meer kennis over HaSjem bij, het geeft ons ook meer inzicht in hetgeen om ons heen gebeurt. Ware Tora studie leidt tot het verfijnen en corrigeren van onze minder goede karaktertrekken.

Bij elke Torastudie komt een zeker zelfonderzoek aan de orde. Zo kunnen wij met vallen en opstaan een steeds beter mens worden. Wij zijn immers naar Zijn beeld geschapen. Wij hebben de opdracht om al onze ledematen en organen in dienst van HaSjem te stellen door het nakomen van de (7 Noachitische) geboden. Door het doen van goede daden komen wij dichter bij HaSjem en het is tevens onze plicht om waardig op Zijn wereld, die HaSjem heeft geschapen, rond te lopen.

Een belangrijke regel die in de Torastudie gehandhaafd dient te worden is de regel dat er geen vroeg en geen laat in de Tora bestaat.
Weliswaar wordt er in het eerste boek Genesis alleen over de schepping, de zondvloed en de aartsvaders gesproken, dit betekent echter niet dat de Tora met al haar onderwijzingen nog niet bestaat, al wordt de gave van de Tora pas in het tweede boek Exodus verhaalt.
De Tora, de eerste vijf boeken van Mozes, worden in één jaar tijd gelezen door middel van de wekelijkse portie. De herhaling van deze porties ieder jaar opnieuw geven steeds meer en beter inzicht.

Elke portie heeft een naam. De naam van de portie betreft meestal het eerste woord. Het eerste boek van de Tora heet Beresjit en dit is tevens de naam van de eerste portie omdat Beresjit, in het begin, het eerste woord van de portie is.

Er bestaat een schriftelijke leer, dit is de TaNaCH, en een mondelinge leer, dit is de Talmoed of ook wel Gemara genoemd. De mondelinge leer is even belangrijk als de schriftelijke leer en de taak van de mondelinge leer is het aanvullen en opvullen van de gaten in de schriftelijke leer.

In de Tora bestaan twee Heilige Namen voor HaSjem. Deze mogen alleen door joden in de joodse liturgie worden uitgesproken. De ene Naam betreft de letters joed-heh-waw-heh. Deze Naam heeft het aspect van erbarmen, barmhartigheid. De andere Naam heeft de letters alef-lamed-waw-heh-joed-mem. Deze naam heeft het aspect gericht, rechtspraak.
Er zijn plaatsen waarin deze Namen apart voorkomen en er zijn teksten waarin beiden naast elkaar geschreven worden Wij zullen ons in alle gevallen aan de Naam, HaSjem, vasthouden om eventueel misbruik te voorkomen.

De Tora heeft zeventig gezichten. De Tora is voor meer dan één uitleg vatbaar. De Wijzen hebben vele verklaringen en uitleggingen gegeven. Dit is mogelijk door de verschillende lagen die de Hebreeuwse tekst bezit: de letterlijke of eenvoudige uitleg, de drasj of zoekende uitleg, de raz en de sod die met de verborgen en geheime en mystische uitleggingen te maken hebben.

Een gedrukte pagina van de Tora bestaat niet alleen uit de Hebreeuwse tekst, er staat een Aramese vertaling van Onkelos naast. Deze Aramese vertaling wordt Targoem genoemd. Onder de Hebreeuwse tekst staat in het speciale Rasjischrift het commentaar van de grote middeleeuwse bijbelcommentator Rasji. Er bestaan nog meer commentaren maar deze laten wij hier buiten beschouwing.
Voor meer informatie over de Targoem van Onkelos en de Bijbelcommentator Rasji volgt hier een vertaling uit de Breslevpedia.

Rasji

Rasji , Rabbi Sjlomo ben Jitschaq, leefde van 1040 tot 1105. Rasji is geboren in Trojes, Frankrijk, en is in Duitsland onderwezen. Rasji is zonder twijfel de grootste commentator op de schriftelijke leer, TaNaCH (bijbel), alsmede de mondelinge leer, Talmoed. Rasji wordt zowel door beginners als door specialisten gebruikt.

In zijn commentaar op de Talmoed neemt hij als het ware de studenten bij de hand en leidt hen door zowel de eenvoudige als door de ingewikkelde stukken tekst, die meestal in een onbekende taal is geschreven en die op zo'n manier is opgesteld dat het van voorkennis van de studenten uitgaat, en maakt Rasji dit materiaal duidelijk. In zijn commentaar op de Choemasj, de vijf boeken van Mozes, komt zijn genialiteit nog duidelijker naar voren. Hij mengt Midrasjim, commentaren van zijn leermeesters en zijn eigen diepgaande inzichten om licht te werpen op de psjat, de eenvoudige ofwel letterlijke uitleg van de heilige tekst.

Rasji heeft dit volbracht tijdens de periode van de kruistochten; een periode waarin het leven voor een jood heel gevaarlijk was. Wij vernemen echter niets over het geweld van het gepeupel, wij horen alleen maar de zoete klanken van de Tora.
Rasji had alleen dochters. Deze dochters waren ook kundig op het gebied van de Tora en zij waren getrouwd met grote Talmoedgeleerden. Hun kinderen zijn bekend onder de naam 'Tosafisten', zij die uitbreiden ofwel toevoegen. De Tosafisten waren grote geleerden die op de schouders van hun grootvader stonden. Zij ondervroegen, onderzochten, breidden uit en soms argumenteerden met de verklaringen van hun grootvader Rasji op de Talmoed in de onvergankelijke traditie van joodse geleerdheid.

Onkelos, de bekeerling

Onkelos leefde ongeveer van 35-120 gangbare jaartelling. In het Talmoedtractaat Berachot staat dat alle Wijzen de Joden aan sporen om de wekelijkse portie twee maal in de Hebreeuwse tekst te lezen en éénmaal in de Targoem.

Wie was Onkelos? Deze vraag wordt in het Talmoedtractaat Megilah 3a deels beantwoord. Hier vinden wij dat Rabbi Jirmijah (Rabbi Chija bar Abba) zegt dat de vertaling van de Tora door Onkelos, de bekeerling, was gemaakt en dat hij van Rabbi Eliëzer en van Rabbi Jehosjoea had geleerd. De vertaling van de Profeten is door Jonathan ben Uzziël gemaakt; hij had dit van Chaggai, Zecharja en Malachi geleerd. De Talmoed vertelt later, met Nechemja als bron, dat de Targoem, de Aramese vertaling, in de tijd van Ezra is ontstaan; een verschil van enkele honderden jaren voor Rabbi Eliëzer en Rabbi Jehosjoea en Onkelos de bekeerling! De Talmoed antwoordt hier dat het waar is dat het begin van de Targoem in de tijd van Ezra is geschreven, echter de meerderheid van het joodse volk heeft dit vergeten. De traditie kwam echter bij Rabbi Eliëzer en Rabbi Jehosjoea weer boven en zij hebben dit Onkelos onderwezen en Onkelos heeft dit opnieuw voor heel Israël opgeschreven.

Wat weten wij over de bekering van Onkelos? De Talmoed vertelt ons in het tractaat Gittin (56b-57a) dat tijdens de terugkeer van Titus naar Rome vanuit Jeruzalem, waar hij de Heilige Tempel had verontreinigd en verwoest, dat HaSjem hem wilde laten verdrinken in een geweldige golf. Titus zei, dat de HaSjem van de Joden alleen macht over water heeft, HaSjem heeft de Farao in zee verslagen, zo kom en vecht met mij op het vasteland. HaSjem zei: O jij slechte zoon en kleinzoon van slechte mensen... Ik heb een zekere klein schepsel, ga naar het vasteland en vecht met dit kleine schepsel. Zodra Titus het vasteland bereikte, kwam een mug zijn neus binnen en deze mug vond zijn weg naar de hersenen waar de mug enorm groeide en daarmee Titus onbeschrijflijk veel pijn veroorzaakte. Op zijn doodsbed gaf hij zijn dienaren de opdracht om hem na zijn dood te cremeren en het as over de zeven wereldzeeën uit te strooien opdat HaSjem van de Joden hem niet zal kunnen vinden om hem te oordelen.

In deze periode van de geschiedenis was Rome de onderdrukker en achtervolger van Israël, Tegelijkertijd waren er duizenden Romeinen die zeer onder de indruk waren van de joodse religie en de oprechte devotie van de joden daaraan. Deze Romeinen bekeerden zich tot het jodendom. In dezelfde Gemara vinden wij dat Onkelos de zoon van Kalonykos, de zoon van Titus' zuster was. Onkelos wilde zich ook tot het jodendom bekeren. Met toverij riep hij de geest van Titus op uit de doden. Hij vroeg zijn oom wie er aan de top in de komende wereld staat. Titus antwoordde hem dat Israël bovenaan staat. Onkelos vroeg verder en zei dat hij erover denkt om tot het jodendom over te gaan: Wat is uw opinie hierover. De geest antwoordde dat de Joden vele geboden hebben te onderhouden en dat hij niet in staat zou zijn om dat te volbrengen. Je kunt beter Israël onderdrukken en dan zal je aan de top staan, tenminste zolang als je leeft. Onkelos vroeg wat de straf van zijn oom Titus was. Titus antwoordde en zei dat mijn straf is wat ik over mijzelf heb uitgesproken. Elke dag moet ik hout, dat gebruikt wordt om mij te verbranden, sprokkelen en vervolgens word het as over de zeven zeëen uitgestrooid. Ondanks het advies van zijn oom Titus, besloot Onkelos om zich tot het jodendom te bekeren. Onkelos leerde onder de grote Wijzen van het joodse volk. Zijn vertaling van de Tora in het Aramees, dat toen de taal van de bevolking en de taal van de Talmoed was, was zo groots en heilig dat wij in het Talmoedtractaat Berachot (8a-8b) vinden dat Rav Huna bar Jehuda (Rabbi Ami) zei dat ieder die wekelijks de Tora met de joodse gemeente tweemaal in de Hebreeuwse tekst en éénmaal in de Targoem leest, zelfs voor plaatsnamen zoals Atros en Divon, waar de vertaling niets toevoegt en alleen de namen herhaalt, zijn levensspan verlengd zal zien. (Met levensspan wordt het levensbereik van de mens bedoeld, die door wekelijks de hebreeuwse tekst tweemaal en de targoem eenmaal te lezen, verlengd zal worden. Het voegt dagen/weken/jaren aan zijn leven toe.)

Het is aanbevolen om actief aan deze serie mee te doen. Dit kan door het voorbereidend lezen van de portie en het stellen van vragen over de portie.

Jael, april 2013.

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Gemorra is de zorgvuldige bewerking, in de 2e tot 5e eeuw van de gewone jaartelling, van de Mishna, die dient als het fundament van de Joods wet.

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Mishna is de mondelinge Thora door God aan Mozes gegeven, uiteindelijk gecodificeerd door Rabbi Akiva, zijn leerling Rabbi Meir, en zijn leerling Rabbi Yehuda HaNassi, 1e tot 2e eeuw van de gewone jaartelling.

Talmoed is de Joodse mondelinge Tora omvattende de Mishna en de Gemorra. De Gemorra is een verslaglegging van discussies tussen joodse geleerden uit de derde tot en met de zesde eeuw van de gangbare jaartelling. De debatten in de Gemorra zijn zeer uitgebreid en gaan over allerlei onderwerpen zoals wiskunde, recht, geschiedenis enzovoorts. Betreffen het uitspraken over de leer dan spreekt men van 'halacha' waar de term 'halachisch' van is afgeleid. Andere uitspraken worden 'agada' genoemd en behelzen meer verhalende zaken. Mishna is mondelinge Tora door God aan Mozes gegeven, uiteindelijk gecodificeerd door Rabbi Akiva, zijn leerling Rabbi Meir, en zijn leerling Rabbi Yehuda HaNassi, 1e tot 2e eeuw van de gewone jaartelling.