BSD titel

Eindelijk na vierhonderd jaar van slavernij, kon het volk Israël het land Egypte verlaten. De slavernij van Israël begon namelijk vanaf het moment dat HaSjem het verbond met Abraham had gesloten in Genesis 15. Het volk Israël bevond zich daarvan tweehonderd en tien jaar in Egypte.

Vele anderen die niet tot het volk Israël behoorden, zagen hierbij hun kans schoon om Egypte te verlaten. Zij worden erev rav genoemd, een mengsel van allerlei volken. Zij hebben door hun klagen in de woestijn het volk Israël op weg naar het Beloofde Land danig lastig gevallen.

Toen het volk Israël druk bezig was om zoveel mogelijk schatten van de Egyptenaren bijeen te verzamelen, was Mozes op zoek naar de kist van Jozef. Jozef had zijn kinderen gezworen om de beenderen van hem [en ook van de andere elf stammen] bij de verlossing uit Egypte mee te nemen om hen in het land Israël te begraven. In de tijd dat Jozef onderkoning was, had hij de macht om zijn vader Jacob uit Egypte te halen en hem in de spelonk van de aartsvaders in Hebron te begraven. Na Jozef was er niemand die de macht bezat om Jozef direct na zijn dood in het beloofde land te begraven. Daarom zwoer hij zijn nageslacht om zijn beenderen later bij de uittocht mee te nemen.

Het probleem echter was dat Mozes niet wist waar de kist van Jozef was. Serach de dochter van Asjer die een lang leven genoot , informeerde Mozes dat de kist van Jozef zich met zware ketenen op de bodem van de Nijl bevond. Uiteindelijk na verschillende pogingen was het Mozes gelukt om de kist van Jozef boven water te halen. Farao had alle moeite gedaan om de kist van Jozef goed te verstoppen omdat hij wist dat zolang de beenderen van Jozef zich in het land Egypte bevonden, het volk Israël Egypte niet zou kunnen verlaten.

Bij de uittocht uit Egypte leidde HaSjem het volk niet op de kortste weg naar het beloofde land. Het kleinste obstakel op de korte weg zou het volk, dat net uit de slavernij bevrijd was, rechtsomkeert naar Egypte laten maken. HaSjem leidde hen via een omweg door de woestijn met de wolkkolom als bescherming voor overdag en de vuurkolom als bescherming voor de nacht. Daarna gaf HaSjem Mozes de opdracht om weer terug te gaan naar Pi haCherut (is Pitom) en om tegenover Baal Tsefon het kamp op te zetten. Pitom heeft hier de naam Pi haCherut gekregen. Pi haCherut betekent de opening van de bevrijding: het volk Israël is nu vrij en niet meer in de slavernij gebonden. Baal Tsefon was de enige overgebleven afgod van Egypte en diende ervoor om de Egyptenaren te misleiden in hun denken, dat de Baal Tsefon een sterke afgod was. De val van Farao en zijn leger later in de Schelfzee bewees dat ook de Baal Tsefon geen enkele macht bezat.

Farao kreeg berouw over zijn beslissing om het volk Israël de vrijheid te geven en wilde hen weer terughalen. Farao spande zelf zijn wagen in en met hem kwamen nog vele ruiters mee, om achter het volk Israël aan te jagen en hen als slaven naar Egypte terug te brengen.

Nu rijst de vraag waar al die paarden vandaan kwamen. Van Egypte konden zij niet zijn omdat zij tijdens de plaag van de veepest waren omgekomen, Exodus 9:6. Ook van Israël konden zij niet zijn, want Israël had al hun eigen vee meegenomen. De paarden waren in het het bezit van diegenen die 'kosjer' waren in Egypte zoals dat bij de plaag van de hagel is gezegd, Exodus 9:20- diegenen die het woord van HaSjem vreesden. Hetzelfde geldt voor de plaag van de veepest.

Diegenen die tijdens de plagen het woord van HaSjem vreesden, leverden nu hun dieren aan Farao om tegen Israël te vechten. Hierover zegt Rabbi Sjimon: zelfs de besten van de Egyptenaren moet je doden en zelfs de besten van de slangen moet je de kop vermorzelen, [Rasji-Mechilta]. Dat betekent dat een goj, een niet jood, ogenschijnlijk vriendelijk ten opzichte van een jood kan zijn en vreedzaam met hem kan leven, maar dat deze situatie altijd onzeker blijft. Het hart van de goj kan opeens veranderen en zich tegen de jood keren. De geschiedenis laat ons dit steeds weer zien. Het wantrouwen van het joodse volk ten opzichte van de gojim bestaat tot op de dag van vandaag.

Farao en zijn leger naderden het volk Israël op de zevende dag na hun uittocht bij de zee, bij Pi haCherut. Het volk Israël kon geen kant op en was ten einde raad. Het volk riep naar HaSjem om hulp. De Midrasj verhaalt ons dat het volk Israël in vier groepen verdeeld was. Iedere groep bracht hun passende oplossing voor deze benauwde situatie naar voren. De eerste groep zei, dat zij zichzelf in de zee moesten werpen, de tweede groep zei, dat zij weer terug naar Egypte moesten gaan, de derde groep zei tegen Egypte te vechten en de vierde en laatste groep zei tot HaSjem te bidden. Mozes wees al deze mogelijkheden af en zei tot het volk om niet te vrezen en de redding van HaSjem te zien, die HaSjem jullie vandaag zal tonen. Jullie zullen Egypte niet meer zien. HaSjem zal voor jullie vechten en jullie moeten zwijgen, Exodus 14:13. Hiermee antwoordde Mozes op alle vier groepen. De eerste groep die zich in de zee wilde werpen zei Mozes om niet te vrezen en de redding van HaSjem te zien. Tegen de tweede groep zei Mozes dat, zoals jullie Egypte vandaag zien, zullen jullie ze niet meer zien. De derde groep kreeg als antwoord dat HaSjem zal vechten en de vierde groep moest zwijgen. Wat het volk op dit moment moest doen, was vooruitgaan, doorgaan. Mozes sloeg met zijn staf op de zee en het volk ging vooruit en de zee splijtte zich voor een veilige doortocht.

Soms zijn er momenten in het leven waarop je de oplossingen van de hierboven genoemde vier groepen niet kunt gebruiken. Wanhopen en vluchten lossen niets op, je te schikken naar de regels van de natuur komt soms niet van pas, ook het vechten lost niet altijd iets op en er is ook niet altijd de tijd om te bidden. Op zulke momenten in je leven moet je gewoon doorgaan en dan zal het obstakel als in het niets verdwijnen.

De doortocht door de Schelfzee was een groot wonder, het volk Israël kon droog de andere kant van de zee bereiken. Het volk zag hier ook de ondergang van Farao en Egypte. En het volk Israël geloofde in HaSjem en in Mozes de dienstknecht van HaSjem, Exodus 14:30-31.

Na dat grote wonder zong Mozes een lied, Exodus 15:1-19. De sjabbat waarop deze parasja wordt gelezen wordt Sjabbat Sjirah (lied), naar het lied van Mozes genoemd.

De profetes Mirjam, de zus van Aäron nam de tamboerijn te hand en danste tezamen met de andere vrouwen. Mirjam wordt hier profetes genoemd omdat zij de geboorte van Mozes, de redder van Israël, had voorspeld. Zij had toen alleen Aäron tot broer. Een andere verklaring waarom zij hier de zus van Aäron wordt genoemd is, dat Aäron al het mogelijke voor haar deed toen zij melaats geworden was, Numeri 12:11-12.

De vrouwen geloofden met volkomen emuna in HaSjem, dat HaSjem het volk zou verlossen en nog vele wonderen voor hen onderweg naar het Beloofde Land zou doen. Zij hadden daarom ook tamboerijnen uit Egypte meegenomen om later onderweg HaSjem te loven en te bezingen.

Na de wonderbaarlijke doortocht door de Schelfzee trok het volk verder en na drie dagen bereikten zij Mara. Het volk had dorst en er was geen drinkwater beschikbaar. Mozes wierp, in opdracht van HaSjem, een stuk hout in het water. Het bittere water veranderde in zoet drinkwater. Het woord voor bitter in het Hebreeuws is mar. De naam Mara voor deze plaats spreekt dus voor zich.

De volgende halte is Elim. In Elim waren twaalf bronnen en zeventig dadelpalmen. De twaalf bronnen staan voor de twaalf stammen en de zeventig dadelpalmen staan voor de zeventig oudsten.

Na Elim kwam het volk Israël op 15 Ijar in de woestijn Sin aan. Het volk was al een maand onderweg en de matsa die zij uit Egypte hadden meegenomen was nu op. Het volk had brood nodig. Ook wilde het volk vlees. HaSjem gaf vanaf deze dag voor veertig jaar lang het volk brood uit de hemel. Dat brood wordt manna genoemd en is brood van emuna. Elke ochtend voor dag en dauw regende het manna uit de hemel. Allereerst was er een laagje dauw waarop het manna kwam te liggen en vervolgens werd het met nog een beschermlaagje bedekt. Als herinnering hieraan liggen de sjabbatsbroden op de sjabbatstafel op een kleed en zijn zij ook met een mooi kleedje bedekt.

Het volk moest iedere dag vroeg opstaan om het manna te verzamelen. Elke dag een omer voor een ieder die in de tent woonde. Het volk Israël kreeg hier ook het gebod om de sjabbat te houden en daarom viel er op vrijdagochtend een dubbele portie. Degenen die op de gewone dagen van hun manna overhielden voor de volgende dag, een daad van ongeloof, vonden het vol met wormen en dus oneetbaar. Voor de sjabbat echter bleef de dubbele portie houdbaar. Het grote wonder met het manna was, dat bij het meten van het gewicht van het verzamelde manna het altijd een omer was. Iemand die veel verzamelde en iemand die weinig verzamelde ontvingen beiden de maat van een omer.

Het manna, het hemelse brood dat voor dag en dauw aanwezig was verzadigde het volk. Het vlees waar het volk om vroeg was niet ter verzadiging bedoeld en ontvingen zij 's avonds. Het volk bezat immers zelf vee en zij konden uit hun eigen bezit de dieren slachten en bereiden.

De kwartels stuurde HaSjem 's avonds. Het volk moest dus 's avonds nog aan de slag om het vlees te bereiden. Vlees is niet bestemd om de mens te verzadigen en men mag zich er dus niet te barsten in eten.

Vervolgens reisde het volk naar Refidim en het volk klaagde weer over gebrek aan water. Mozes moest met de staf die hij in zijn hand had, dezelfde staf die veel onheil over Egypte had veroorzaakt, op de rots slaan voor water. Dat alles voor de ogen van de oudsten. Mozes noemde deze plaats Masa en Meriva. Meriva betekent ruzie.

In aansluiting hierop kwam Amalek met het volk Israël strijden. HaSjem stond altijd klaar om het volk in zijn behoeften te voorzien en jullie zeggen: 'Is HaSjem met ons ja of nee?' Exodus 17:7.

Jozua moest met de uitgekozen mannen tegen Amalek vechten en Mozes stond met de staf in zijn hand op de top van de heuvel met Aäron en Chur. Wanneer de handen van Mozes naar boven geheven waren, was Israël aan de winnende hand en wanneer de handen naar beneden gericht waren, kreeg Amalek de overhand. De handen van Mozes werden zwaar vermoeid. Zodoende plaatsten zij Mozes op een steen om te zitten en Aäron en Chur ondersteunden de handen van Mozes. De handen van Mozes waren handen van emuna totdat de zon onderging en Jozua Amalek verzwakte.

Mozes kreeg de opdracht om dit alles op te schrijven en in de oren van Jozua te plaatsen, namelijk dat HaSjem de herinnering aan Amalek onder de hemel zal uitwissen.

De strijd tegen de aartsvijand Amalek zal in elke generatie plaatsvinden. Het betreft niet alleen een fysieke strijd, maar ook een strijd op spiritueel terrein. Het woord voor Amalek (ajin,70-mem,40-lamed,30-qoef,100) en twijfel in het Hebreeuws, safeq (samech, 60-(p)feh, 80-qoef,100) hebben dezelfde getalwaarde: 240.

De strijd tegen Amalek is dus ook een strijd tegen de twijfel: Is HaSjem in ons midden ja of nee? Laten wij op een moment van twijfel onze blik op de hemel richten, de richting van de handen van emuna van Mozes in de strijd tegen Amalek. Zolang de handen van Mozes naar boven waren gericht, was Israël aan de winnende hand. Laten wij ons goed herinneren dat wij op een moment van twijfel onze ogen naar HaSjem moeten opheffen.

Jaël.

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.