BSD

Het verbod op lichamelijk geweld

geweld

In bijna alle moderne maatschappijen bestaan er wetten die daden van fysiek geweld verbieden. Het is dan ook geen verrassing dat de Tora dit ook als een zware zonde beschouwt.

En toch, toch hebben we God niet nodig om ons te vertellen dat fysiek geweld niet is toegestaan, aangezien alle normaal fatsoenlijke mensen voor henzelf tot deze conclusie zouden komen. En dat is niet het enige duidelijke gebod. Moest God ons echt vertellen dat we niet mogen moorden?

Eén van de redenen waarom we deze Goddelijke geboden nodig hebben is omdat, hoewel het algemene verbod kan worden gedicteerd door de logica, de details dat niet vaak zijn. 1) Bijvoorbeeld, het kan duidelijk zijn dat we het leven van iemand anders niet mogen nemen, maar wanneer begint het leven? En wanneer eindigt het? Zijn er uitzonderingen?

Bovendien is iemand niet altijd in staat objectief te blijven. Vandaar dat deze geboden de kracht moeten hebben van een Goddelijk gebod om iemand te stoppen om te buigen als gevolg van subjectiviteit en vooroordelen. 2) Daarom laten we nu eens onderzoeken wat de Tora eigenlijk zegt over fysiek geweld.

Het verbod

Iemand die een ander mens verwondt of zelfs maar slaat, overtreedt eigenlijk één van de 365 verboden van de Tora. Hoewel er geen vers in de Tora is dat expliciet het slaan verbiedt, leidt de Talmoed het verbod af van de verzen die de straf van het geselen bespreken. 3)

Deze verzen geven aan dat in sommige gevallen, wanneer mensen de Tora verboden overtreden, zij 40 zweepslagen krijgen (volgens de rabbijnse uitleg betekent dit 39), en dat hij die de zweepslagen geeft "er niet meer mag geven, opdat hij hem niet ernstiger geselt dan deze [40 zweepslagen]."4) In de praktijk beoordeelden de joodse rechtbanken of de dader sterk genoeg was om de 39 zweepslagen te weerstaan, en zo niet, dan kreeg hij slechts zoveel slagen als hij aankon. 5) Als de rechtbank de dader zelfs nog een keer extra zou slaan, dan zouden ze het verbod hebben overtreden van "hij zal niet meer laten slaan."

Onze wijzen redeneren: Als het verboden is om ook maar één extra zweepslag te geven aan een zondig mens, des te meer moet het verboden worden om een ​​onschuldig mens te slaan, die verdient so wie so geen zweepslagen. 6)

De straf

In het algemeen is iemand, wanneer hij schade toebrengt aan het eigendom van iemand anders, schadeplichtig. Op dezelfde manier: als men schade toebrengt aan een ander mens, is hij verplicht om te betalen. In aanvulling op de werkelijke schade, verplicht de Tora die mens te betalen voor de pijn, de honoraria van artsen, de verloren inkomsten en zelfs voor de last. (Hoe deze betalingen worden beoordeeld is een onderwerp voor een heel hoofdstuk in de Talmud 7) en valt buiten het bestek van onze discussie.)

Nu is er een regel dat degene die aansprakelijk is om te betalen voor een overtreding niet ook wordt onderworpen aan lijfstraffen. Echter, in een geval waarin geen schade werd veroorzaakt, of waar de schade was te verwaarlozen (minder dan de waarde van een kleine munt, schave prutah), met als gevolg dat er geen monetaire betaling opgelegd wordt aan de dader, dan werd de straf van geseling toegediend. 8)

In post-Talmoedische tijden, stelden de rabbijnen een wet vast dat, in bepaalde situaties, iemand die een daad van geweld pleegt tegen een ander mens, geëxcommuniceerd zal worden en niet kan worden meegeteld voor een minjan. 9)

Maar hij sloeg mij het eerst

Zelfs in situaties waarbij iemand anders de strijd begon, is het toch verboden om terug te slaan. 10) Echter als er geen andere manier is om een aanvaller in toom te houden, is het toegestaan ​​om geweld te gebruiken, op voorwaarde dat je de aanvaller niet meer schade toebrengt dan absoluut nodig is. 11)

Als je toestemming hebt

Er is een geschil over de vraag of het al dan niet toegestaan is ​​om iemand, die daarvoor toestemming heeft gegeven, te slaan. De Rivash (Rabbi Yitzchak Ben Sheshet, 1326-1408) stelt dat het verboden is, 12) en dit lijkt ook de mening te zijn van de meeste latere autoriteiten over de Joodse wet. Een reden hiervoor is dat men geen autonomie over zijn lichaam heeft, dat eigendom van God is, en daarom heeft men geen recht om iemand anders toestemming te geven hem te slaan.

Uitzonderingen

Het is toegestaan ​​om iemand zijn huis uit te zetten als hij geen recht heeft om daar te zijn. 13) Wanneer hij weigert te vertrekken, staan sommige autoriteiten het gebruik van fysiek geweld toe bij het verwijderen. 14) Echter is het gebruik van geweld alleen toegestaan ​​als een laatste redmiddel.

Ook wanneer het absoluut noodzakelijk is, is het toegestaan ​​om fysiek geweld te gebruiken: bij voorbeeld om een ​​gestolen voorwerp terug te krijgen, of wanneer iemand probeert iets van jou te stelen. 15)

Technisch gezien, is het toegestaan ​​om zijn kinderen of studenten te slaan in een poging om hen te corrigeren. 16) echter hedendaagse halachische autoriteiten zeggen dat dit vandaag aan de dag niet meer van toepassing is. 17)

Verschillende manieren van slaan

Er moet worden opgemerkt dat niet alle soorten van slaan in dit verbod zijn begrepen. Maimonides schrijft dat dit verbod alleen het slaan met boos opzet betreft. (Volgens een andere versie van Maimonides, is alleen het slaan van een "vernederende aard" verboden.) 18)

Op grond hiervan, staat Rabbijn Moshe Feinstein cosmetische chirurgie toe, aangezien elke wond tijdens een operatie ontstaan, is niet van een vernederende aard, en is niet moedwillig toegebracht. 19). Anderen echter zijn het hier niet mee eens, 20) dus zorg ervoor een rabbi te raadplegen voor een niet dringende operatie.

In dezelfde geest, stond de tweede Asjkenazische opperrabbijn van Israël, Rabbi Isser Unterman, het ​​boksen en andere vormen van vechtsporten toe, met het argument dat zij niet onder de categorie vallen van slaan met boos opzet. 21)

Het opheffen van een hand

Toen Mozes, die was groot gebracht in het huis van Farao, het paleis verliet om te zien hoe het met zijn mede-Joden ging, vond hij twee joden die met elkaar vochten. Het bijbelvers zegt dat "Mozes zich wendde tot de schuldige en hem vroeg: 'Waarom sla je je naaste?'" 22)

Uit nauwkeurige lezing blijkt dat hij zijn naaste nog niet had geraakt, en toch, verwijst de Tora naar hem als zijnde slecht. De Talmoed concludeert dat zelfs iemand die alleen maar zijn hand in geweld opheft geacht wordt een zondaar te zijn. 23)

Sommige autoriteiten wijzen erop dat iemand die van plan is aan te vallen feitelijk in juridische zin geen zonde heeft begaan; de Talmoed wil echter gewoon zijn harde lijn voor interpersoonlijk geweld benadrukken. 24)

Echter, de meeste autoriteiten menen dat het een zonde is om een ​​hand in geweld op te heffen. 25) Er bestaat een discussie over de vraag of deze zonde een bijbelse of rabbijnse oorsprong heeft. 26) Het feit dat het afgeleid is van het vers in Exodus lijkt te impliceren dat het verbod een bijbelse oorsprong heeft, en dat is in feite de mening van vele autoriteiten. 27) Echter, het lijkt erop dat volgens Maimonides het slechts verboden is vanwege de rabbijnen, omdat dit vers niet expliciet deze wet leert. 28)

Sommige autoriteiten verklaren dat iemand die zijn hand in geweld opheft niet afgedaan heeft als een getuige. 29) De reden hiervoor zou zijn dat, hoewel er een regel is dat een zondaar geen getuige kan zijn, men als zondaar wordt beschouwd als de begane zonde gestraft wordt door geseling, 30) en de algemene consensus is dat het opheffen van een hand geen geseling rechtvaardigt.

Echter, naar het oordeel van de meeste autoriteiten, en dit is in feite de uiteindelijke halacha, 31) kan degene die een hand in geweld opheft geen getuige zijn. Waarom niet?

  1. Rabbi Josef Karo stelt dat, hoewel de regel is dat slechts hij die een Tora overtreding begaat en die wordt bestraft met geseling geen getuige kan zijn. Vanuit het perspectief van de rabbijnse wet, kan een overtreder geen getuige zijn, zelfs wanneer er geen sprake is van geseling, wanneer het verbod dat is overtreden een bijbels verbod is. 32)
  2. De hand opheffen tegen een ander is een uitzondering, omdat de Tora expliciet zo iemand een zondaar noemt en, zoals hierboven vermeld, kunnen zondaren niet dienen als getuige. 33)
Er is een aantal verklaringen gegeven waarom het opheffen van een hand verboden is:

  1. Het opheffen van de hand is het begin van de verboden handeling slaan. 34)
  2. Het probleem is gelegen in het feit dat de betrokkene heeft aangetoond de zonde te willen begaan om iemand te slaan. 35)
  3. Het verbod dient als bescherming tegen de zonde een ander mens te slaan. De Tora (of de rabbijnen) verbieden het opheffen van de hand tegen een ander, teneinde te voorkomen dat mensen het gebod zullen overtreden om iemand anders te slaan. 36)
  4. De loutere handeling van het opheffen van de hand is een daad van geweld en toont een negatieve karaktertrek bij de aggressor. 37)
  5. Aan de andere kant kan de loutere daad van het opheffen van de hand angst bij de ander inboezemen. Als gevolg hiervan overtreedt de agressor het verbod op onaat devarim (kwetsen van gevoelens), waardoor emotionele pijn bij de ander wordt veroorzaakt. 38)

Praktische consequenties

De Rebbe stelt dat de verschillende redenen hierboven genoemd waarom het opheffen van de hand verboden is, leiden tot verschillende opvattingen over de Talmoed verklaring met betrekking tot boosheid van de dader en de geschiktheid om als getuige te dienen. 39)

Als men de uitleg aanneemt dat het opheffen van de hand in geweld problematisch is omdat het een begin is van de handeling van het slaan of omdat het de intentie toont om zijn naaste te slaan (uitleg # 1 en # 2), dan zou het moeilijk zijn om te begrijpen hoe het opheffen van de hand juridische gevolgen kan hebben. Er is een algemene regel dat de Tora niet straft voor enkel de intentie, en ziende dat er geen schade is toegebracht aan de ander, waarom zou zo iemand als zondaar in juridische zin worden beschouwd? Daarom is het zinvol te zeggen dat de Talmoed geen enkele wettelijke verklaring gaf, maar eerder moet worden begrepen als een homiletische (kennis der schriften) verklaring. Hieruit volgt dat de handeling van het opheffen van de hand in geweld de dader niet daadwerkelijk ongeldig maakt een getuige te zijn.

Als men echter de uitleg aanneemt dat de handeling van het opheffen van de hand in geweld op zichzelf een negatieve handeling is (redenen # 4 en # 5), dan is er geen reden om de Talmoed niet letterlijk te nemen en dat het een verboden daad is, en men kan gemakkelijk begrijpen waarom het iemand, die dit doet, diskwalificeert om als getuige op te treden.

Het doel van Handen

De Rebbe biedt een fascinerend inzicht waarom het opheffen van de hand tegen een ander wordt gezien als zo'n verschrikkelijke daad.

In een toespraak over de Shabbat sidra Noach in 5748, vroeg de Rebbe waarom de Talmoed specifiek verklaart dat iemand die zijn hand opheft wordt beschouwd als een zondaar. Moet ook niet iemand die een ander lichaamsdeel gebruikt tegen een ander worden beschouwd als een zondaar?

De Rebbe antwoordde dat er een belangrijke les te leren valt uit de formulering van deze Talmoedische uitspraak. De hand van iemand werd geschapen om daden van tzedakah (liefdadigheid) en vriendelijkheid te doen. Wanneer iemand zijn hand gebruikt voor tegengestelde doelstellingen, zondigt hij niet alleen tegen zijn medemens, maar ook tegen zijn Schepper, die zijn hand voor een specifiek doel heeft gemaakt.

Deze passage van de Talmoed leert ons hoe belangrijk het is om alle gaven die God ons heeft geschonken - rijkdom, gezondheid en het gebruik van talenten - te gebruiken waarvoor ze zijn geschapen, te weten, voor de dienst van God.

Voetnoten

1) Zie bijvoorbeeld, Maimonides, Moreh Nevoechiem 03:26.
2) Zie bijvoorbeeld Likutei Sichot, vol. 3 p.389.
3) Ketubot 33a.
4) Deuteronomium 25:3.
5) Maimonides, wetten betreffende de rechtbanken en de straffen onder hun jurisdictie 17:1.
6) Maimonides wetten over verwondingen en schadevergoeding 5:1.
7) Bava Kama, hoofdstuk 8.
8) Talmud Ketubot 32b. Maimonides Ibid 5:3
9) Rabbijn Moshe Isserles in zijn glossen over Code van de Joodse wet, Chosjen Misjpat 420:1.
10) Code van de Joodse wet, Chosjen Misjpat 421:13.
11) Ibid.
12) In Responsum 484.
13) Talmoed, Bava Kama 48a.
14) Tur Chosjen Misjpat 42.
15) Sjoelchan Aroech Harav, Nizkei Guf Vanefesh 3.
16) Talmud Makos 8b.
17) Bijvoorbeeld, Rabbi Yosef Shalom Elyashiv.
18) Wetten van Verwondingen en Schade 5:1.
19) Igrot Moshe Chosjen Misjpat 2:66.
20) Zoals Rabbi Eliezer Waldenberg in Tzitz Eliezer 11:41.
21) In Responsa Shevet Miyehuda, vol. 1, Mahadura 2, p.439. merkt Rabbi Unterman op dat deze uitspraak van Maimonides haaks lijkt te staan ​​op het hierboven geciteerde advies van Rivash, die oordeelde dat men niet mag slaan, zelfs niet als toestemming is verleend. Zeker is er geen opzet in het slaan van iemand die ermee instemt om te worden geslagen. Rabbi Unterman stelt dat na analyse van de zaak die Rivash besprak het mogelijk is dat hij het eens kan zijn met Maimonides. Rivash besprak een geval waarbij iemand geld leent met dien verstande dat, als hij niet betaalt, het de geldschieter zal worden toegestaan ​​om hem te slaan. Rivash oordeelde dat ondanks het feit dat de toestemming werd gegeven, het slaan nog steeds is verboden. Rabbi Unterman stelt dat ondanks het feit dat de toestemming werd gegeven het nog steeds gaat om slaan uit boosheid, omdat de dader boos is dat hij zijn geld niet heeft ontvangen. Dit zou echter geen beletsel zijn voor de toelaatbaarheid van gevechtssporten. 22 Exodus 2:13.
23 Sanhedrin 58b.
24 Zie Likutei Sichot, vol.31, p.3 fn 11 dat dit een implicatie lijkt te zijn van de Tur Chosjen Mishhpat, beginnend bij 420. Zie echter Yam Shel Sholmo aangehaald Bava Kama 8:63 in Likutei Sichot ibid fn 11.
25 Zie bijvoorbeeld Maimonides, Wetten van Schade en letsel, 5:2.
26 Likutei Sichos vol.31 p 2 en voetnoten.
27 Zie bijvoorbeeld Beit Yosef Chosjen Mishpat 34, die wat Mordechai zegt zo begrijpt.
28 Het is eerder een asmachta, dat wil zeggen, geleerd door een hint.
29 Zie Responsa Maharash MiLubin 89.
30 En zeker als de zonde wordt bestraft met de doodstraf of Karet.
31 Rabbijn Moshe Isserles in zijn glossen op de Code van de Joodse wet, Choshen Mishpat, 34:4.
32 Beit Yosef Choshen Mishpat 34.
33 Zie Levush 34:4.
34 Likutei Sichot, vol.31, p.3.
35 Regels van Rabbi Chaim Kanievsky gedrukt in L'reakha Kamokha, vol.4, p.351.
36 Vedorashta Vechokarta, pp.120-122.
37 Likutei Sichot, ibid.
38 'L'reakha Kamokha, vol.4, p.56.
39 Likutei Sichot, ibid.

Door Yisroel Dovid Klein

Bron: The Prohibition Against Physical Violence

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.