BSD

Dit betreft een heel lang artikel. Het zal daarom in drie afleveringen worden gepresenteerd. Onderstaand is de derde en laatste aflevering. De vertaler Jadied.

Wat is moraliteit?

Deel III en Slot

De noodzaak van Goedheid

moraliteit

De fundamentele rol die de morele goedheid speelt in het menselijk leven, is echter afgeleid van de mens en niet van God. Het is niet zo dat we morele goedheid cruciaal beschouwen omdat God het heeft bevolen - in plaats daarvan beschouwen we het als van cruciaal belang, omdat we ons een leven zonder goedheid niet kunnen voorstellen. In sommige opzichten is het zelfs meer fundamenteel in ons denken dan God dat is. Veel mensen beweren dat ze kunnen leven zonder God , maar niemand kan eerlijk zeggen dat ze goedheid kunnen ontberen. Dit getuigt van de efficiëntie waarmee God het in ons heeft geïmplanteerd, en het is belangrijk dat men niet vergeet dat God het was die dit in ons heeft geïmplanteerd. Dat wil zeggen dat het niet tot stand is gekomen door toeval of via een evolutionair proces.

Dit voegt zeker iets toe aan onze verantwoordelijkheid. Als men een talent heeft, moet men proberen om het te ontwikkelen als het iemands leven verbetert. Echter, heeft men geen verantwoordelijkheid om het te ontwikkelen, tenzij het van "God gegeven" is. Als de Schepper van hemel en aarde iemand een talent heeft gegeven dat de waarde en de goedheid van het menselijk leven verbetert, dan heeft men een categorische verantwoordelijkheid om dit talent te voeden. Dat wil zeggen dat het niet een individuele keuze is om te beslissen of men het moet ontwikkelen.

Hoeveel te meer geldt dit, als we het hebben over je "talent" voor goedheid, dat wil zeggen, een gevoel van mededogen. Dit is niets anders dan de nabootsing van God. "Zoals Ik genadig ben", zegt God , "zo zul jij genadig zijn." Het gevoel van mededogen in de mens is een weerspiegeling van Gods imago in ons. Als God goed is, zo zijn wij dat, of liever onze afhankelijkheid van goedheid is te wijten aan het feit dat dit is hoe God ons maakte, en de ontwikkeling van ons talent voor goedheid is een nabootsing van God.

Het enige verschil is dat dit een talent is dat ieder mens heeft, op grond van zijn mens-zijn. Dit talent is niet voorbehouden aan een select groepje. De vermaning van God dat we barmhartig moeten zijn is niet een opdracht als zodanig. Het is meer een aanmoediging. "Ik weet dat het moeilijk is," zegt Hij, "maar je kunt het doen. Je hebt het in je. Ik weet dat Ik het in je plantte!" Het is vergelijkbaar met de aansporing van God om heilig te zijn. "Gij zult heilig zijn, want Ik ben heilig" (Leviticus 19:2). Dit klinkt niet erg als een argument. Wanneer God had gezegd: "Gij zult almachtig zijn, want Ik ben almachtig," dan zouden we aan een grap denken. Het verschil is dat God ons de mogelijkheid heeft gegeven om een ​​zekere mate van heiligheid of goedheid te bereiken, maar niet Zijn almacht. Laat het je nu niet naar je hoofd stijgen. Gewoon omdat God met de mens enkele van Zijn eigenschappen deelt, betekent dit nog niet dat de mens God wordt.

Dat goedheid een door God gegeven talent is, is veelzeggend. Het houdt in dat de mens een categorische verantwoordelijkheid voor dat talent heeft om die te ontwikkelen, die hij anders niet zou hebben. 1) Als iemands gevoel voor rechtvaardigheid en mededogen voor het lijden evolutionaire eigenschappen zijn die in de loop van de culturele ontwikkeling van de mens evolueerde, dan is er geen morele plicht of verplichting om hen te koesteren, behalve om verstandige redenen. Dat wil zeggen, om de samenleving te helpen te stabiliseren of te leiden naar plezier en geluk, maar dan spreken we niet meer over moraal, maar over voorzichtigheid. Om rechtvaardige verontwaardiging en mededogen een ​​echte barometer voor de moraal te doen zijn, heeft men God nodig. Menselijk medeleven is een moreel gevoel, omdat God mededogen is. Gerechtigheid is een morele eigenschap, want God is recht. Zonder God zou het gevoel dat we allemaal hebben, dat deze rechtvaardige verontwaardiging en het mededogen, de conditio sine qua non van de moraal zijn, kan worden "uitgelegd" als een soort evolutionaire ontwikkeling die als overlevering waarde heeft. De enige manier waarop men kan zeggen, dat deze gevoelens niet de moraal vormen zoals wij die kennen, want dat is de manier waarop wij ze hebben geleerd of gekoesterd, maar omdat het morele leven een vorm is van nabootsing van God. Te zijn wat het is, moraal moet "God - achtig" zijn.

Zo zegt de Bijbel dat men moet "... wandelen in Zijn wegen" (Deuteronomium 28:9). Diverse rabbijnse commentatoren interpreteren dit en bedoelen dat het betekent dat men de kenmerken die God Zelf toont moet nastreven. Maimonides zegt, "Net zoals Hij (God ) barmhartig wordt genoemd, zo zou jij barmhartig moeten zijn. Als Hij heilig wordt genoemd, zo zou jij heilig moeten zijn" (Mishneh Torah, Hilchot Deot, hoofdstuk 1, paragraaf 6). Eén van de interpretaties van de bijbelse verklaring dat de mens is geschapen naar het beeld van God is, dat de gevoelens die we morele gevoelens noemen zijn zoals ze zijn en de categorische eis hebben die te doen, omdat ze de gevoelens zijn die God ook heeft, voor zover het zinvol is te zeggen dat God geacht wordt gevoelens te hebben die vergelijkbaar zijn met die van mensen.

Toen Plato zijn beroemde vraag stelde in de Euthyphro, "Is iets heiligs omdat god dit verlangt, of verlangt god dit omdat het heilig is?" (- of in ons geval, kunnen we "goed" door "heilig" vervangen, de logica van de vraag is dezelfde -) het antwoord is een beetje van beide. Als we zeggen dat de gevoelens van morele verontwaardiging en mededogen morele gevoelens zijn, dan bedoelen we dat dit zo is, omdat God Zelf zo voelt bij bepaalde gelegenheden, en de mens heeft deze gevoelens omdat God ze in hem heeft geïmplanteerd. Zonder God, kan de mens ze nog steeds hebben, maar er is op geen enkele manier te rechtvaardigen dat men nakoming categorisch kan eisen. God en moraal zijn in wezen één en hetzelfde. Deze dimensie van het menselijk leven, dat de mens onderscheidt van de dieren verdwijnt met de opvatting dat er geen God bestaat en de mens heeft geen bijzondere deugd anders dan die van te staan aan de top van het evolutionaire proces. Wat wij de moraal zouden noemen is niets meer dan het eindpunt van de evolutie; dat maakt het niet moreel maar gewoon succesvol.

Zou een evolutionair proces onze huidige morele gevoelens jegens anderen moeten vervangen, dan zou de mens gewoon ontgroeid zijn aan wat we allemaal moraliteit noemen, en de evolutionaire waarde van het overleven zullen deze morele gevoelens en waarden door andere vervangen, die we vervolgens de "nieuwe moraliteit" zouden kunnen noemen." Men kan zich goed voorstellen dat, als Hitler de Tweede Wereldoorlog had gewonnen en zijn droom van een duizend jarig "Reich" had opgericht, hij inderdaad een nieuwe "moraliteit" had gecreëerd.

In één woord, het categorische element in het moreel oordeel heeft geen basis, zonder God. De belangrijkste inspiratiebron van deze visie heeft de Hebreeuwse Bijbel, en in het bijzonder de profeten. Inderdaad de strekking van het betoog van dit document kon niet bondiger worden uitgedrukt dan in een enkele zin uit de profeet Micha:

"Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is en wat God van u vraagt: niets anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God." Micha 6:8.

In antwoord op de vraag: "Hoe weten we dat dit echt is wat God de mens heeft verteld?" antwoorden we dat de vraag niet relevant is. Het punt is dat zonder het eerste deel van de zin geciteerd uit Micha, de vermaning "...om recht te doen en goedertierenheid lief te hebben..." ophoudt een categorische imperatief te zijn en wordt het hypothetisch zoals alle prudente imperatieven.

De kracht en inspiratie die de Hebreeuwse profeten gedurende de geschiedenis van de mensheid voor vele honderden en duizenden jaren hebben gehad is juist het gevolg van het feit dat het beroep op het menselijk hart voor gerechtigheid en barmhartigheid in onze omgang met elkaar een opdracht van God is en uitdrukking geeft aan de bijzondere omgang van God met ons. Zoals we anderen moeten behandelen zo behandelt God ons: midda keneged midda (leer om leer), zoals de rabbijnen zeggen.

God en de mensheid vormen samen een gemeenschap waarin het menselijke morele besef het leidende licht is. God is zowel als de mens gebonden door dit besef en daarom kon Abraham klagen als God hieraan niet lijkt te voldoen. Hij zegt het zoals het is: "God verhoede dat de Rechter van de hele wereld niet zou doen wat rechtvaardig is."

De meeste mensen knikken met hun hoofd wanneer zij dit lezen en zeggen tegen zichzelf: "Nou ja, natuurlijk, dat is toch vanzelfsprekend!" De waarheid is dat het voor iedereen moet worden beschouwd als het toppunt van arrogantie en chutzpa om zich aan te matigen God te vertellen wat Hij moet doen. Arrogantie is echter het laatste waarvan iedereen Abraham zou beschuldigen. Sterker nog, Abraham vraagt ​​God zijn vrijpostigheid te vergeven, want uiteindelijk is hij maar "stof en as" (Genesis 18:27). Echter de nederigheid van Abraham weerhield hem niet zijn gedachten uit te spreken. Het is geen tijd voor valse bescheidenheid wanneer de levens van onschuldige mensen op het spel kunnen staan. Wat is belangrijker, rechtvaardigheid of de eer van God?

In dit geval, vond Abraham het gepast om Gods daden in twijfel te trekken, en de waarheid is dat God hieraan geen aanstoot leek te nemen. Geduldig wees Hij Abraham erop dat er geen fatsoenlijke mensen in Sodom en Gomorra waren, en als ze er waren, zou Hij ze zeker niet vernietigen. Na een wereld gemaakt te hebben gebaseerd op rechtvaardigheid en mededogen, had God niet de vrijheid om deze waarden te negeren. Na de regels gemaakt te hebben volgens welke het spel van het leven in Zijn wereld moet worden gespeeld, was Hijzelf verplicht om die te volgen. Het belangrijkste is dat de regels worden gemaakt door God, en niet door de mens, en dat is niets anders dan de oorsprong van het "offer van Izaäk", categorische gezag van de moraliteit.

Het antwoord op de vraag van Plato in de Euthyphro of wat God doet goed is omdat Hij het doet, of dat Hij het doet omdat het goed is, is dat de wereld van God goed is, omdat God die maakte, maar Hij maakte het op zo'n manier dat de mens een gelijkwaardige partner met God is in het onderhouden en het behoud van zijn goedheid. Als zodanig, moeten God en de mensheid "oog in oog" staan en het over de zaak eens zijn. Om deze overeenkomst te waarborgen, heeft God in de menselijke ziel de twee attributen geïmplanteerd, waarop de hele schepping werd opgericht - rechtvaardigheid en mededogen. Elke afwijking van deze twee fundamenten houden niet alleen het morele verval van de mensheid in, maar de vernietiging van de wereld zoals wij die kennen. De wereld ging echter al eens deze weg in de tijd van Noach. We hebben de belofte van God, dat dit nooit meer zal gebeuren. De mensheid en de wereld zijn bestemd voor de verlossing of ze nu willen of niet. God laat het echter aan ons om te bepalen of dit vroeger of later gebeurt.

Voetnoten

1) Kant veronderstelt dat men categorische verantwoordelijkheid heeft om welk talent men ook heeft te ontwikkelen, maar hij pleit hiervoor nooit op een overtuigende manier. Hij zegt gewoon dat "...als een rationeel wezen, perse wil dat zijn vermogens worden ontwikkeld, omdat zij hem dienen, en hij ze heeft gekregen voor allerlei mogelijke doeleinden." (Fundamentele beginselen van de metafysica van de zeden, pp. 450-490 in de originele Duitse uitgave, ed. Rosencranz en Schubert, 1938). Ik zie niet in hoe redenen de noodzaak van de ontwikkeling van onze talenten kunnen dicteren tenzij het op grond van bedrijfseconomische of utilitaristische overwegingen is, die Kant hier eigenlijk suggereert. Echter, wordt de plicht dan hypothetisch en niet categorisch, zoals Kant zou willen. Als men geen zin heeft om zijn talent voor muziek te ontwikkelen, waarom zou hij zich hiertoe verplicht voelen alleen omdat hij deze talenten heeft?

Door Dr. Yitzchok Block

Bron: What is Morality

Naar Wat is een Moraliteit? deel 2.

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.