BSD

Dit betreft een heel lang artikel. Het zal daarom in drie afleveringen worden gepresenteerd. Onderstaand is de tweede aflevering. De vertaler Jadied.

Wat is moraliteit?

Deel II

Het morele besef

moraliteit

Wat ik bedoel met moreel besef is goed geïllustreerd in één van Plato's Dialogen. 1) Plato vertelt hoe de goden aan elke diersoort de juiste soort vaardigheden en instincten gaven om te overleven. Aan de zwakken gaven ze de snelheid, aan hen die sterk waren gaven ze traagheid van beweging, zodat de zwakkere kon ontsnappen. Aan de kleinste van alle dieren, de vogels, gaven ze het vliegen. De dieren die in koude streken leefden, voorzagen zij van dik haar voor de warmte, en elke soort gaven ze de lichamelijke mechanismen en instincten om in de eigen omgeving te kunnen overleven. Nadat zij de zorg hadden genomen over alle dieren, kwamen ze eindelijk toe aan de mens en tot hun ontsteltenis ontdekten zij dat alle natuurlijke bescherming en instincten al waren verdeeld en er niets meer voor de mens was. De mens stond op het punt naakt op de wereld te komen, zonder enige mogelijkheid om te overleven. De situatie werd gered door Zeus. Hij bracht de mens "...respect voor elkaar en een gevoel van rechtvaardigheid bij." Dit stelde de mens in staat om samenlevingen te vormen en samen te leven in vriendschap en eenheid en zo te overleven.

Ik ken geen andere onderbouwing van moraliteit of moreel besef dan dit. Ik bedoel niet dat het Zeus was die dit gevoel van rechtvaardigheid in de mens heeft ingeplant, maar hoe het daar ook kwam, het punt dat ik hier wil aanvoeren is dat het geen onderbouwing of rechtvaardiging meer nodig heeft dan dat het een "modus ponens", een bewijs van geldigheid is. (We herinneren onze lezers eraan dat modus ponens de Latijnse benaming is voor de volgende geldige logische gevolgtrekking: van de twee vooronderstellingen, 1) als p dan q, en 2) p; dan volgt hieruit dat 3) q. Geen bewijs kan overtuigender zijn dan de modus ponens zelf, en geen enkel argument ter ondersteuning van gerechtigheid zou overtuigender zijn dan de gerechtigheid zelf. Het is de verdienste van John Rawls die erop heeft gewezen dat gerechtigheid als billijkheid niet kan worden gereduceerd tot een soort utilitaire waarde. 2) Het is a priori goed in zichzelf los van de sociale en utilitaire waarden die het zo bij uitstek dient. Zelfs in die gevallen waarin het een utilitaire waarde niet kan dienen, voelt men nog steeds de dwingende roep van de bijbelse opdracht, "Gerechtigheid, gerechtigheid moet je najagen!" (Deuteronomium 16:20).

Een ander wezenlijk element dat dit besef van moraliteit vormt is de compassie die we voelen voor het lijden van een ander mens. Deze twee - het besef van rechtvaardigheid en het gevoel van mededogen - bestaan ​​uit wat ik bedoel met het besef van moraliteit. Er kunnen andere elementen zijn die toetreden tot de moraal, maar dit zijn de belangrijkste. Het is geen toeval dat deze twee betekenissen - het gevoel van mededogen en het besef van rechtvaardigheid - nauw verbonden zijn met liefde (chessed) en strengheid (gevoera), die het Chassidisme en de Kabbala verkondigen als basis-emoties in de mens en als de primaire middot (morele kwaliteiten, karaktertrekken) waarmee God de wereld schiep.

Het eerste waar ik de aandacht op wil vestigen zijn de emoties die iemand instinctief voelt wanneer hij getuige is van daden van onrecht en lijden. Ze worden respectievelijk "rechtvaardige verontwaardiging" en "medeleven" genoemd. Waarom hebben we deze emoties? Onrecht is echt een daad of een feit die gaat over menselijke relaties, en lijden is een toestand van het menselijk bestaan. Hoe komt het dat deze feiten deze emoties oproepen? Er is geen noodzaak in ons deze emoties te voelen, en inderdaad kennen we misschien mensen of hebben we erover gelezen voor wie de genoemde situaties niet dergelijke emoties oproepen. We noemen zulke mensen ongevoelig of gebrek hebbend aan morele gevoelens. Hoewel nog niet kan worden gezegd dat ze slecht of wreed zijn, is het toch het sine qua non van het zijn van een moreel goed mens dat men verontwaardiging en medelijden voelt bij de juiste gelegenheden.

Ik geloof dat er iets aangeboren is met betrekking tot deze gevoelens, zodat we het heel natuurlijk vinden om ze te hebben en denken dat het onnatuurlijk is als dat niet zo is. Dit geldt met name voor wreedheid, dat is zo onnatuurlijk dat we daders van wreedheden "onmenselijk" noemen. Een mens voelt compassie voor het leed van een ander mens, en een fatsoenlijk mens voelt verontwaardiging als hij onrecht ziet.

Deze gevoelens zijn net zo natuurlijk als lachen om een ​​grap. Het is dom om te vragen waarom men lacht om een ​​grap als het echt grappig is, en het is net zo vreemd om te vragen waarom men verontwaardiging en medelijden voelt bij de juiste gelegenheden. Hoe moet men anders reageren op onrecht en lijden? Het is moeilijk voor te stellen hoe we anders zouden moeten reageren, net zoals we het moeilijk zouden vinden om te reageren op een leuke grap anders dan door te lachen.

Als men geen verontwaardiging of mededogen voelt, is dit een teken dat er iets ernstigs mis is met de menselijkheid of goedheid. De verbinding van een moreel karakter met deze gevoelens is zo intiem dat we geneigd zijn te zeggen dat een fatsoenlijk mens nooit willens en wetens zou instemmen met onrecht en een meelevend mens kan nooit onnodige pijn of lijden aan iemand toebrengen. Het "zou nooit" en "kan nooit" is hier "logisch" met dat wat men aanduidt als een moreel mens en is iemand die nooit onrechtvaardig zou handelen en nooit onnodige pijn of ellende aan iemand kon veroorzaken. Om te zeggen dat iemand moreel goed is, maar onrechtvaardig handelt of wreed is, is een "logische" contradictie in dezelfde zin, waarin het een "logische" contradictie is om te zeggen dat een vrijgezel getrouwd is.

De reden dat de term "logisch" hier gemarkeerd is, is omdat het een beetje anders wordt gebruikt dan de manier waarop het gewoonlijk door de beoefenaars van de logica wordt gebruikt. Logische tegenstrijdigheid wordt meestal toegepast op uitspraken die logisch geldige gevolgtrekkingen ontkrachten. Dus als de modus ponens een geldige gevolgtrekking is, dan betekent 1) indien p dan q en 2) p, maar 3) is niet q, dan is het een logische contradictie. De contradictie dat iemand een vrijgezel is en getrouwd is, is een contradictie en geen geldige gevolgtrekking. Wat het in tegenspraak is komt door het gebruik van woorden in het Nederlands. Het heeft te maken met ons begrip van concepten of ideeën. Wat gewoonlijk in het Nederlands wordt bedoeld met de term "vrijgezel" sluit de mogelijkheid uit dat een vrijgezel getrouwd zou zijn. Om iemand te vragen, aan wie je bent voorgesteld als een vrijgezel, "A propos, ben je getrouwd? laat zien ofwel dat je het Nederlands niet goed begrijpt of dat je probeert grappig te zijn, of dat je een imbeciel bent. Men kan zich voorstellen dat er andere manieren zijn om uit te leggen hoe en waarom iemand zo'n onzinnige vraag zou stellen, maar het punt is dat het onzinnig is, gezien de gemeenschappelijke betekenis van de term "vrijgezel" in het Nederlands.

Op een vergelijkbare manier is het denk ik onzinnig om van iemand te zeggen, dat hij moreel goed of fatsoenlijk is, maar toch onrechtvaardig of wreed is. Ik bedoel te zeggen dat wanneer men het heeft over een goed mens, dat het dan ten minste iemand is waarover men zou zeggen dat het ondenkbaar is dat deze persoon onrechtvaardig of wreed zou handelen. (Het spreekt vanzelf dat niemand moreel perfect is. We zijn allemaal gevoelig voor zwakheid en verleidingen. Af en toe zijn we onrechtvaardig of verliezen we ons humeur en zijn we gemiddelde mensen. Als we moreel fatsoenlijk zijn, dan zullen wij deze terugval erkennen en er spijt van hebben.)

Er kunnen andere eigenschappen zijn die ons concept van morele goedheid definiëren, maar zeker zijn rechtvaardigheid en mededogen de noodzakelijke aspecten van dit concept en misschien zelfs wel voldoende. In ieder geval, ze zijn van cruciaal belang, zodanig dat van iedereen die deze kwaliteiten niet heeft, gezegd kan worden dat moreel gezien het geen goed mens kan zijn.

Als het waar is, zoals wij hier beweren, dat deze gevoelens zijn aangeboren of dat alle mensen ermee worden geboren, hoe komt het dan dat sommige mensen ze sterker voelen dan anderen en sommigen ze helemaal lijken te missen? Ik denk niet dat dit tegenvoorbeelden zijn wat ons punt betreft. Mensen raken op een zijspoor door slechte verzorging en training van ouders of leerkrachten. Het is een kwestie van het onderwijs, zoals voor elke vorm van karakter of emotionele ontwikkeling.

Dit is Plato's punt dat het kwaad waaraan mensen zich overgeven ongewild en onbedoeld is. Niemand wil bewust een slecht mens zijn. Sommige mensen zijn opgegroeid in een omgeving die vijandig is tegenover hun fundamentele morele gevoelens. De morele groei van dergelijke mensen wordt belemmerd, net zoals zoveel muzikaal talent wordt belemmerd door een omgeving die er niet in slaagt dat talent te koesteren en te ontwikkelen. Het verschil tussen een talent voor muziek en het gevoel van rechtvaardigheid en mededogen is dat het ontbreken van het laatste een meer serieuze karakterfout is dan het ontbreken van het eerste. Iemand die geen talent voor muziek of gevoel voor humor heeft mist iets belangrijks dat bijdraagt ​aan de waarde van het menselijk leven, maar iemand die onrechtvaardig of wreed is moet uit de menselijke samenleving worden verbannen.

Zulke mensen zijn kwaadaardig. Ze vernietigen het vertrouwen en de vriendschap die een maatschappij bijelkaar houdt. Soms schijnen deze morele sentimenten heen door de dikke huid van de meest geharde criminelen of degenen die men normaliter als overwegend wreed en onmenselijk beschouwt. Een goede vriend van mij, die de beruchte dodenmars van Auschwitz overleefde, werd gered door een nazi-bewaker die elke dag naar mijn vriend toekwam en in de kantine zijn koffie met hem deelde. Toen zij na dagen marcheren de spoorwegverbinding bereikten en ze aan boord gingen van de veewagens, die hen naar Bergen-Belsen vervoerden, verdween de bewaker en mijn vriend heeft hem nooit meer teruggezien. Waarom toonde de bewaker mijn vriend deze vriendelijkheid, en wie deze persoon was is een mysterie gebleven tot aan de dag van vandaag.

In de Kabbala, is de term voor het kwaad klipah ('schil' of 'bedekking'). De gedachte hierbij is dat de wereld en de mens in wezen goed is, maar dat een laag van het kwaad dit goed verbergt. Men moet gewoon deze laag eraf pellen om een fundamentele onderliggende goedheid te onthullen. Soms gluurt een glimp van humaniteit door de buitenste schil van het kwaad.

Een dergelijke idee werd ook verteld in een lezing die ik ooit van Robert Frost heb gehoord. hij beschreef een gedicht dat de volgende metafoor gebruikte: De Ouden dachten dat de zwarte hemel 's nachts een gordijn was dat over de hemel werd gespannen wanneer de de zon onderging. Boven dat gordijn was een hemels licht dat we niet konden zien. Krachtige boogschutters zouden pijlen schieten naar het gordijn en soms zouden ze het doorboren en door die speldeprikken zou het hemelse licht er doorheen schijnen. De Ouden dachten dat dat een ster was. Robert Frost zei dat het een gedicht was. Kabbala verkondigt dat het een straal van het elementaire goede is, hetgeen de essentie is van de mens en de wereld. De mysterieuze vriendelijkheid die de hiervoor genoemde nazi-bewaker liet zien was een vluchtige blik van die goedheid temidden van het kwaad.

Niemand is helemaal goed of helemaal slecht. Ieder van ons is een mengsel van beide, variërend in de mate die de goedheid in staat is om te schitteren door de schil van het egoïsme die ons allen bedekt.

Egoïsme is het donkere gordijn, dat de hemelse goedheid verbergt in de ziel van ieder mens en het slechte en het kwaad onder ons zijn eenvoudig de ongelukkigen die, om welke reden dan ook, niet in staat zijn geweest om deze goedheid op te graven. In zeldzame gevallen slaagt het van tijd tot tijd erin om een ​​gat te steken in het slijk van onze compromitterende affaires.

We komen echter niet aan dit gevoel van moraliteit als gevolg van het gebod van God, hoewel de commentatoren op de Bijbel ons vertellen dat we bij het nastreven van de moraal God nabootsen. De mens voelt natuurlijk medelijden met of zonder God. Bovendien, zoals we al eerder zeiden, Abraham heeft eigenlijk God uitgedaagd voor het niet tonen van een gevoel voor rechtvaardigheid in de omgang met de slechte mensen van Sodom en Gomorra.

Het interessante van dit verhaal is dat het als vanzelfsprekend wordt beschouwd door zowel God als Abraham dat het niet eerlijk zou zijn om de rechtvaardigen en de goddeloze mensen op dezelfde manier te behandelen, en dat het ondenkbaar is dat God onrechtvaardig zou kunnen handelen. Stel dat God Abraham had uitgedaagd om een ​​argument te geven dat het moreel verkeerd of slecht is om mensen oneerlijk te behandelen. Wat zou Abraham dan gezegd hebben? Ikzelf ken geen enkel argument dat Abraham zou hebben kunnen geven. Ik betwijfel of God onder de indruk zou zijn van ofwel een Kantiaans of Nietzsche argument, en zeker niet van een utilarist.

Abraham, had in feite de vraag ontkracht. Hij daagde God uit met: "God verhoede, dat de Rechter van de wereld niet zal doen wat eerlijk is!" Als God inderdaad had geantwoord met zoiets als dit te zeggen: "Wat is er zo verschrikkelijk aan om de rechtvaardige en de goddeloze op dezelfde manier te behandelen? Bewijs Mij dat dit verkeerd is," we zouden dan onze handen in wanhoop moeten opsteken, want alles was verloren. Als de Rechter van de hele wereld niet rechtvaardig is, God ontferm U over ons! Als een medemens van vlees en bloed die vraag zou hebben gesteld, zouden we zijn geestelijke gezondheid in twijfel trekken. Hoe kan een fatsoenlijk mens zich afvragen waarom het goed is om eerlijk te zijn?

Iets dergelijks kan gezegd worden over het gevoel van mededogen. Waarom zou men zich betrokken voelen bij het leed van een ander mens? Het enige mogelijke antwoord is dat als je dat niet doet, ben je moreel ongevoelig en waarschijnlijk in staat tot wreedheid. Als iemand zou vragen, wat is er kwaad aan wreedheid? Dan is er geen antwoord. Men steekt gewoon in afschuw zijn handen in de lucht en blijft zo ver men kan van zulke mensen vandaan. Dit is de enige juiste reactie. Zulke mensen verdienen geen antwoord! Als God Zelf wreed zou zijn (en er is geen tegenspraak met het feit dat Hij een alwetende, almachtige Schepper van de wereld en ook wreed is), zou men dan kunnen blijven leven? Als het uiteindelijke doel van zowel de rechtvaardigen als de goddelozen de eeuwige verdoemenis is, wat is dan de bedoeling van dit alles?

Søren Kierkegaard schreef een boek, "Vrees en Beven", waarin hij zich voorstelt hoe het bijbelse verhaal van de binding van Isaac misschien een beetje anders zou zijn geschreven wanneer Abraham niet de ware held van het geloof was geweest. Hij zou God gesmeekt hebben, geklaagd hebben tegen God, zijn boosheid of teleurstelling enzovoort hebben ingehouden. Het kwam echter nooit bij Kierkegaard op om het verhaal te herschrijven alsof God niet God was, maar een kwade demon. De kwade demon die Isaac niet op het laatste moment gered zou hebben en bovendien zou hij zich hebben verkneukelt over zijn opoffering en gelachen hebben om het lijden van Abraham met vrolijke vreugde. Als hij gezegd had tot Abraham, "Jij dwaas - de enige reden dat ik jou heb gemaakt en je geloof heb getest is het plezier dat ik zou hebben wanneer ik zag hoe je zou lijden!" De enige juiste reactie hierop zou zijn dat Abraham het mes in zichzelf zou steken, want er zou geen zin meer zijn om te leven. Als God wreed is, dan is dat het einde - de wereld wordt op zijn kop gezet. Hieruit blijkt hoe fundamenteel het idee is dat de wereld en God goed zijn.

Voetnoten

1) Zie Plato's Protagoras, 320D-322e
2) Zie zijn 'Justice as Fairness' in The Philosophical Review, vol. LXVII (1958) en zijn boek, A Theory of Justice (Cambridge, MA: Harvard University Press, 1971) chap. 1.

Door Dr. Yitzchok Block

Bron: What is Morality

Naar Wat is een Moraliteit? deel 1.

Naar Wat is een Moraliteit? deel 3 - Slot.

Studiecentrum voor Noachieten uit de vier windhoeken.

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Emuna is het standvastig geloof in een enige, soevereine, alwetende, welwillende, geestelijke, bovennatuurlijke en almachtige Schepper van het universum, die wij God noemen. Emuna bestaat uit drie niveaus: Niveau één is het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid; Niveau twee is het geloof dat Hashem alles doet wat het beste voor ons is; Niveau drie is het geloof dat Hashem alles doet met een specifiek doel. Deze thesen zijn nader uitgewerkt in het boek "The Garden of Emuna".

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Tora is letterlijk "instructie"; Er zijn twee betekenissen. De vijf boeken van Mozes zijnde Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en meer in het algemeen verwijst het naar de Joodse leer en wat wij ten onrechte het Oude Testament noemen.