Kruistochten

Kruistochten

  1. 1095
  2.  
  3.  
  4.  
  5.  
  6.  
  7.  
  8.  
  9.  
  10.  
  11.  
  12.  
  13.  
  14.  
  15. 1097
  16.  
  17.  
  18.  
  19.  
  20.  
  21.  
  22.  
  23.  
  24. 1099
  25.  
  26.  
  27.  
  28. 1190
  29.  
  30.  
  31.  
  32. 1191
  33. 1204
  34.  
  35. 1212
  1. Op 26 november 1095 hield paus Urbanus een bezielende toespraak in Clermont, Frankrijk, waarin hij alle Christenen opriep de stad Jeruzalem te redden uit de handen van de goddeloze Turken. Urbanus beloofde de verzamelde ridders en koningen zoveel geld en land, dat aan het einde van de vergadering iedereen uitbrulde: "Deus vult" - "God wil het". Europa kwam in beweging. Ze gehoorzaamden aan het gebod van God. Boeren haalden haastig de oogsten binnen. Families sloten zich aaneen tot groepen; groepen werden benden en weldra marcheerde er een enorme meute vrome katholieken langs de Rijn. Terwijl de boeren naar het zuiden marcheerden begonnen er geruchten te circuleren. De Joden zouden stiekem hulp verlenen aan de zaak van de Islam, fluisterde men. De boeren begonnen Joodse gemeenschappen langs de Rijn te plunderen. In Worms werden 800 Joden vermoord en in Mainz stierven er meer dan 1000. Alles bij elkaar werden 5000 Joden door de katholieke meute afgeslacht.
  2. In het voorjaar van 1097 verzamelde zich een leger van 150.000 man bij Constantinopel en begon zich een weg naar het zuiden te banen. Twee jaar later stonden er 40.000 kruisvaarders voor de poorten van Jeruzalem. Op 15 juli bestormen ze de stad. Alle Joden worden vermoord. Ze zochten toevlucht in synagogen. De kruisridders lieten de synagogen afbranden met de Joden erin. Op straten en pleinen lagen overal hoofden en handen en sommigen claimden dat het bloed als een riviertje door Jeruzalem stroomde. De Joden die de slachting overleefden werden als slaven verkocht. Het duurde meer dan een eeuw voordat er in Jeruzalem weer Joden woonden.
  3. De Kruisvaarders veroveren Jeruzalem en stichten daar het Latijnse Koninkrijk. Tienduizenden Joden en Moslims worden vermoord. Joden worden de synagoge ingedreven om levend verbrand te worden. Deze Joden vervolging duurt in Palestina tot 1291.
  4. In 1190 viel een meute Engelse kruisvaarders een welvarende Joodse gemeenschap in York (zie ook onder Engeland) aan. Eerst probeerden ze nog te vluchten, maar mogelijk, omdat ze nergens heen konden, pleegden ze massaal zelfmoord.
  5. De kruisvaarders verjagen de Joden uit Ashkelon (Palestina).
  6. Constantinopel wordt door de kruisvaarders geplunderd en Joodse wijken worden verwoest.
  7. Joodse gemeenschappen in Palestina worden door de kruisvaarders gedecimeerd. Als gevolg hiervan zijn 300 rabbijnen uit Engeland en Frankrijk naar Palestina en Jeruzalem getrokken om Joodse gemeenschappen een nieuw leven in te blazen.

De kruistochten duurden ongeveer driehonderd jaar en aan het einde van de dertiende eeuw toen het Heilige Land weer in handen van de Moslims was en Christelijk Europa binnen haar eigen grenzen afvallige Christenen afslachtte, was de positie van de Joden definitief veranderd. Ze werden beschouwd als verachtelijke woekeraars en samenzweerders tegen de wereld van het Christendom. Eeuwenlang hadden de mensen vanaf de kansel preken gehoord over het joodse verraad. Ze brachten, woedende menigten op de been, bloedbaden, martelaren en bekeringen.

Hoewel de kruistochten hoofdzakelijk bedoeld waren om de zogenaamde heilige plaatsen in het zogenaamde heilige land en Jeruzalem, van de moslims te bevrijden, werden ook de Joden vaak het slachtoffer tijdens deze ondernemingen.

Dan is het ook interessant om in de serie “Dispereert niet”, twintig eeuwen historie van de Nederlanden van de hand van A. Algra en H. Algra, deel I, 2e druk, Wever 1946 onder andere het volgende te lezen over de kruistochten.

Uw negen tochten falen. (zie aantekeningen) “In de 13e eeuw is Jeruzalem nog enkele jaren in handen geweest van de Christenen. Keizer Frederik II had door onderhandelingen den afstand van de heilige stad weten te verkrijgen, maar in 1244 ging zij opnieuw, en nu voorgoed, verloren. De Fransche koning Lodewijk IX heeft nog getracht het verlies te herstellen en kreeg daarbij ook hulp uit de Nederlanden. Het baatte niet. In 1291 drongen de ongelovigen Acre binnen, de laatste vesting in het Heilige Land, die nog in het bezit der kruisvaarders was. Jacob van Maerlant heeft in een vurig gedicht, Van den Lande van Oversee, de Christenen aan gespoord tot nieuwe activiteit. De edelen, zoo klaagde hij, gingen op de valkenjacht, de vorsten beoorloogden elkaar om kleine zaken, en niemand hoort de roepstem der kerk: “Pugna pre patria”: strijd voor het vaderland! De tijd van Godfried van Bouillon is voorbij.

Nieuwe plannen. Toch werden heel de Middeleeuwen door telkens nieuwe plannen beraamd, om Jeruzalem te bevrijden. Dat kon niet anders, zolang het ridderideaal niet geheel was verbleekt. De kruistochten zijn de geweldige openbaring van dat ideaal, waarin zich vroomheid en strijdlust hebben verbonden. De Middeleeuwsche ridder mint het avontuur en streeft naar roem, maar hij ziet op zijn weg telkens een bovenaardsch lichtschijnsel en hij gelooft, dat zijn loon in den hemel is. En hoe dit ideaal ook door de zonde is neergetrokken, hoe ook in het arglistig menschenhart berekening en baatzucht worden vermengd met idealisme en offervaardigheid, het ideaal trekt deze mannen ook telkens weer omhoog. Hendrik V van Engeland onderbrak de gebeden, die bij zijn sterfbed werden gezegd, nog met de mededeling, dat de bevrijding van Jeruzalem steeds zijn ideaal was geweest. Philips van Bourgondië gewaagde na 1450 nog voortdurend van zijn kruistochtplannen en ontving van den Paus een banier, die te 's-Gravenhage plechtig werd ontplooid.”

“Ook op andere plaatsen wist de kerk de activiteit van de ridderschap te gebruiken om de uitwendige positie van het Christendom te versterken.“

De hele teneur in dit werk aangaande de kruistochten is positief te noemen. Voor de schrijvers zijn de Kruistochten van belang vanwege de versterking van het Christendom in geheel Europa. Het kruis wordt dan wel gepredikt met het omgekeerde kruis, namelijk het zwaard.

De eerste kruistocht 1096

Beschouw onderstaande geschiedenis eens in het licht van wat de Algra's hiervoor over de kruistochten schreven.

Hieronder uit de kronieken van Salomon bar Simeon, van Eliezer bar Nathan en van een schrijver uit Darmstadt die ons zijn naam niet heeft nagelaten. Sluit je op in je woning, waarde broeder, en ween om Israël!

Wat wij hier gaan vertellen ter nagedachtenis van degenen die in naam van de Enige God zijn vermoord, heeft zich voorgedaan in het jaar 4856 (1096) dus in het 1028 ste jaar van onze ballingschap, in het elfde jaar van de 256 ste baan van de maan, in de loop waarvan wij de Messias verwachtten zoals Jeremias had voorspeld. Maar de vreugde van de verwachting is veranderd in smart en geweeklaag.

Nadat de paus van het vermaledijde Rome een oproep had gedaan om naar Jeruzalem te vertrekken, is er ineens een wilde horde van Fransen en Duitsers op de been gekomen die uit vrije wil naar Jeruzalem wilden vertrekken, naar het graf van de gehangen bastaard. Ze hebben aan hun kleding een verfoeilijk teken, een kruis, vastgemaakt. Satan heeft zich gemengd onder hen die talrijker waren dan de zandkorrels aan de kust of de sprinkhanen op de oppervlakte der aarde. Hun stemmen waren als storm of onweer. Zij beschuldigden de Joden ervan dat zij Christus hadden gekruisigd en spanden haatdragend samen: "Waarom", zo zeiden zij, "zouden wij deze ongelovigen hier verdragen voordat wij de anderen gaan bestrijden? Laten wij ons eerst op hen wreken en hen uitroeien als zij weigeren om zich te bekeren."
De verdwaasden kwamen horde na horde aan. Zij verspreidden een oproep: wie een Jood zou doden, zou al zijn zonden vergeven zien. Een graaf genaamd Dithmar zwoer dat hij het land niet zou verlaten zonder ten minste één Jood te hebben gedood. Sommige vorsten in het land deelden hun mening.

Toen hebben de onzen gedaan wat onze vaderen hadden gedaan. Ze hebben berouw gehad, ze hebben gebeden, ze hebben aalmoezen gegeven; verborgen in de meest geheime kamers van hun woningen hebben zij zich gereinigd door drie dagen achtereen te vasten tot hun vel over hun beenderen hing en zij uitgedroogd waren als stukken hout. Maar de Vader heeft zich verborgen in de wolken, heeft niet naar hen geluisterd en heeft hen verwijderd uit Zijn zicht. De kastijding was reeds lang van tevoren aangekondigd.

Worms, de tiende dag van iejar (maandag 5 mei).
De vijanden hebben een kadaver dat dertig dagen eerder was begraven, opgegraven en hebben het door de stad rondgedragen waarbij zij het den volke toonden: "Ziet", schreeuwden zij, "ziet wat de Joden onze buur hebben aangedaan! Ze hebben deze christen in water gekookt en zij hebben dit water in onze put geworpen om ons te vergiftigen!"
De dwazen en het volk raakten als bezeten: "Het uur is gekomen", zeiden ze, "om ons te wreken over de dood van Christus die door hun voorvaderen is gekruisigd. Deze keer zal niemand eraan ontsnappen!"

De gemeenschap in Worms verdeelde zich toen in tweeën: een deel van de mensen bleef in hun huizen, overtuigd als zij ervan waren dat bij gevaar de burgers van de stad hen bijstand zouden geven, de anderen, die minder vertrouwen hadden, vluchtten naar het paleis van bisschop Adalbert.

Op de drieëntwintigste dag van iejar (zondag 18 mei) hebben de steppewolven iedereen, tot op de laatste grijsaard en het laatste kind, gedood die thuis was gebleven. Ze hebben de Tora rollen gepakt en deze vertrapt. Nadat zij hebben gedood, hebben zij geplunderd.

De inwoners van de stad aan wie deze eerste doden hun bezittingen hadden gelaten, hadden hen hun bescherming beloofd maar hebben hen verraden. Sommigen hebben er de voorkeur aan gegeven om zich te bekeren ten einde hun broeders te begraven en de kinderen te bevrijden, die de verdwaasden hadden meegenomen om hen op te voeden in hun godsdienst.

De kruisdragers hadden hun eerste slachtoffers volledig ontkleed. Toen hebben de joden die naar het paleis waren gevlucht, kleren gegeven aan hen die ontkomen waren, opdat zij de doden bedekten en zij hebben degenen getroost die zich hadden bekeerd.

Omdat op de dag van de nieuwe maan van sivan (zondag 25 mei) de verdwaasden het paleis hadden aangevallen, hebben degenen die daarheen waren gevlucht de wapens van de aanvallers hun hals geboden, zelfmoord gepleegd of elkaar gedood. De een doodde zijn broer, de ander zijn ouders, zijn vrouw of zijn kinderen, de verloofde zijn bruid, de jonge echtgenoot zijn jonge vrouw, de liefdevolle vrouw haar geliefde. Allen aan-vaardden het ongeluk en riepen al stervend: "De Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Eén!"

Meshoelam bar Isaac, een jonge man, richtte zich tot de anderen, in het bijzijn van zijn vrouw Zipora: "Luister naar mij, groot en klein, deze zoon, God heeft mij hem geschonken, mijn vrouw Zipora heeft hem ter wereld gebracht en hij heet Isaac. Ik zal hem offeren zoals eertijds Abraham zijn zoon Isaac." Zipora kwam tussenbeide: "Mijn heer, mijn heer, hef uw hand niet op tegen mijn zoon! Dood mij eerst opdat ik mijn kind niet zie sterven." Maar Meshoelam bleef onwrikbaar: "Moge Hij die hem mij geschonken heeft, hem weer wegnemen!" zei hij. Hij pakte een mes, en sprak de zegen uit over dit mes. Zijn zoon antwoordde "Amen, en hij heeft hem gedood. Zij vrouw gilde het uit. Toen pakte hij haar bij de hand en zij hebben het vertrek verlaten. Buiten werden zij gegrepen door de verdwaasden en deze hebben hen vermoord.

Er was daar ook een jonge man, een zekere Isaac, zoon van Daniel. Omdat hij weigerde zich te laten bekeren, deden zij een touw om zijn hals en hebben hem door de modder op straat naar de kerk gesleept. ’Je kunt nog gered worden; wil je van geloof veranderen?’ Maar hij, half gestikt, niet tot praten in staat, vroeg met een gebaar of zijn keel kon worden doorgesneden. Dat hebben ze gedaan.

Daar was ook rabbijn Simcha, zoon van de geleerde Isaac. Ze wilden hem dwingen zich te laten bezoedelen door hun vuile water: "Kijk, daar liggen al je verwanten, dood en naakt. Aanvaard het doopsel en je zult gered worden." "Ik zal doen wat jullie willen", antwoordde Simcha, "maar breng mij eerst naar de bisschop."

Hij werd naar het paleis gesleept waar hij een preek te horen kreeg in het bijzijn van een neef van de bisschop en enkele notabelen. Toen haalde hij een mes te voorschijn en als een leeuw die op zijn prooi afspringt, stak hij de neef van de bisschop neer en nog twee anderen, voordat het lemmet in zijn hand afbrak. Toen de notabelen zagen dat hij zonder wapen was, stortten zij zich op hem en brachten hem ter dood.

Anderen lieten zich doden zonder weerstand te bieden, waarbij zij zeiden dat het het noodlot was dat van de Heer kwam. Zoals Minna, een vrouw die in de hele stad met eerbied werd bejegend en omging met hooggeplaatste personen. Zij had zich verscholen in een keldergewelf. De mensen uit de stad die haar vonden, trachtten haar te overtuigen: "Je bent een verstandige vrouw; erken toch dat jullie God je niet kan redden... Zie degenen die zijn gedood, die daar naakt liggen, niemand begraaft hen... Laat je dopen." "Het zij verre van mij", antwoordde zij, "om de enige God te loochenen. Omwille van de liefde voor Hem en voor Zijn heilige Tora, wacht niet langer en doodt mij." Toen doodden zij haar.

In twee dagen werden bijna achthonderd joden ter dood gebracht en naakt begraven. Er waren slechts zeer weinigen die de doop aanvaardden. De andere gemeenten in Duitsland vernamen dadelijk over de moorden in Worms. Hun hand verzwakte en hun hart werd als water.

Diezelfde dag, de eerste dag van sivan (zondag 25 mei), kwamen benden van graaf Emich — mogen zijn botten verbrijzeld worden door ijzeren molenstenen! — in de goede stad Mainz aan. Enkele christenen wilden de joden beschermen, maar werden door de bandieten gedood.

Graaf Emich had verzonnen dat een boodschapper van de gehangene tot hem was gekomen en hem gemerkt had met een teken in zijn vlees om hem te tonen dat hij uitverkoren was. Hij was een vijand van alle joden, spaarde zuigeling noch zieke, en reet de buiken van zwangere vrouwen open.

Terwijl zijn troepen de stad binnentrokken, hoorden de joden dat bisschop Ruthard zich opmaakte om op reis te gaan. Zij die hem geld hadden doen toekomen, smeekten hem om te blij ven. Hij riep toen in het bisschoppelijk paleis de gemeente bijeen, waar de burggraaf en hijzelf zich formeel verplichtten: "Wij zullen jullie redden of wij zullen met jullie sterven". De gemeente besloot toen om geld naar Emich te brengen - zeven ponden aan goud - en brieven die de andere gemeenten die zij op hun weg zouden aandoen, de aanbeveling gaven om hen goed te ontvangen. Maar het was alles ijdel, en wij werden minder gespaard dan Sodom en Gomorra.

Mainz, de derde dag van sivan (dinsdag 27 mei), een dag van duisternis. De joden waren bijeen in het paleis van de bisschop toen de toorn van de Eeuwige in vlammen tegen Zijn volk ontstak. Tegen het middaguur verscheen de infame Emich — mogen zijn botten vermalen worden — met zijn leger voor de poort van de stad, die dadelijk werd geopend. "Ziet", zeiden de verdwaasden, "de poort is vanzelf opengegaan. Dat is een teken dat de Gekruisigde wil dat wij Zijn bloed wreken op de joden."

Met banieren voorop trokken zij op naar het paleis van de bisschop alwaar zij, vanwege onze zonden, konden binnendringen. Menachem, de zoon van rabbijn David de leviet, troostte de joden die zich opmaakten voor de strijd: "Vereer de grote God en Zijn verschrikkelijke naam met heel uw hart!" Rabbijn Kalonymos bar Meshoelam stond aan het hoofd van degenen die streden. De mannen van de bisschop vluchtten als eersten weg en lieten hen achter ten prooi aan de vijand. De bisschop zelf vluchtte. Maar rabbijn Kalonymos en drieënvijftig die met hem waren, konden ontkomen. Toen de vijanden plotseling op de binnenplaats verschenen, vonden zij daar rabbijn Isaac bar Mosje.

Hij bood het zwaard zijn hals en zij hakten zijn hoofd af. Wee deze dag waarop onze zielen bevangen werden door angst. "Laten we ons haasten", riepen de joden die zich in het paleis bevonden, "laten wij ons zelf aan de Eeuwige offeren. Laten allen die een offer zwaard bezitten zich ervan vergewissen dat er geen enkel hoekje uit is. Laten zij ons offeren en daarna zichzelf."

De joden die op de binnenplaats waren, hadden hun gebedskleden omgedaan en hun gebedsriemen omgewikkeld. Zij stelden er geen belang in naar het paleis te vluchten om een uur langer te leven. Zij gingen op de grond zitten, gereed om de wil van hun schepper te ondergaan. De kruisdragers wierpen zich op hen. Zij die voor de vensters van het paleis getuige waren van de marteldood van de rechtvaardigen, besloten elkaar te doden. Zij twistten erover wie als eerste zou sterven. Vrouwen wierpen geldstukken op de binnenplaats om de vijanden vertraging te geven en zo tijd te winnen om zelf hun zonen en dochters te doden.

De laatste joden die weerstand boden, wierpen stenen naar de kruisdragers en bespotten hen: "Weten jullie waarin jullie geloven? Jullie geloven in een wezen dat in ontbinding is, in een stinkend lijk!" Rachel, dochter van Isaac bar Ascher, echtgenote van Jehoeda, een vrome en rechtvaardige vrouw, zei tegen haar vriendinnen: "Ik heb vier kinderen en ik wil niet dat de christenen hen levend grijpen, spaar hen niet." Eén van haar vriendinnen kwam naar voren, greep het offer mes en maakte zich gereed om eerst Isaac, de jongste zoon van Rachel, een knappe jongen, te doden. Rachel gilde, sloeg zich zelf in het gezicht en op haar borst: 'Heer, waar is Uw erbarmen?’ Zij smeekte haar vriendin: "Bij alles wat je lief is, dood Isaac niet in het bijzijn van zijn broer Aaron!" De vrouw offerde echter Isaac en Rachel ving met haar mouwen het bloed van haar zoon op. Aaron brulde van ontzetting: "Moeder, moeder, maak me niet dood!" Hij vluchtte weg en glipte onder een kast. De twee dochters van Rachel, Bella en Matrona, grepen zelf het mes en slepen het, gaven het aan hun moeder en bogen hun hoofd. Rachel sneed hun keel door, toen zocht zij naar haar jongste kind: "Aaron, waar heb je je verstopt? Ik kan je niet sparen noch medelijden met je hebben." Ze ontdekte hem, trok hem aan een voet onder de kast vandaan en offerde hem op zijn beurt. Toen strekte zij zich op de grond uit en legde haar kinderen door wie nog stuiptrekkingen voeren, naast zich neer. Toen de kruisdragers het vertrek binnenkwamen, dachten zij dat zij een schat verborg onder haar wijde mouwen: "Laat ons dat geld zien dat je verbergt!" Zij toonde de kinderen en zij doodden haar. Toen ontdekte ook de vader het schouwspel van zijn dode kinderen. Hij wierp zich met zijn buik op zijn mes.

De vijanden belegerden ook de binnenplaats van de burggraaf waar andere Joden heen waren gevlucht. Ook daar vermoordden zij iedereen. Mosje bar Chelbo, die twee zonen had, vroeg hen: "Zonen, op dit uur staan zowel de hel als de hemel voor jullie open. Waar willen jullie heen?" "Naar het paradijs." Zij staken hun hals uit en zij werden alle drie gedood. De verdwaasden verscheurden een rol van de Tora. Heilige en zuivere vrouwen, die getuige waren van de schanddaad, slaakten kreten om de mannen te waarschuwen. David, zoon van rabbijn Menaehem, zei tegen hen: "Broeders, verscheurt uw kleding ter ere van de Tora!" Wat zij dadelijk deden. Op dat ogenblik kwam iemand met het kruisteken op, de zaal in; allen, mannen en vrouwen, stonden op en stenigden hem tot ter dood. Toen klommen de belegeraars op het dak en rukten dat eraf. Daar was ook Jakob bar Sulam, die afkomstig was uit een nederige familie en de zoon was van een niet-joodse vrouw. Hij richtte zich tot allen: "Tot nu toe hebben jullie niet veel achting voor mij gehad. Welnu! Zie toe wat ik ga doen." Hij greep een mes, zette het op zijn keel en sneed zich zelf in ieders bijzijn in naam van de Eeuwige de keel af.

Een ander, de oude Samuel bar Mordechai, riep op zijn beurt uit: 'Ziet, broeders, wat ik vandaag doe ter heiliging van de Eeuwige." En hij sneed zijn buik open met zijn mes zodat zijn ingewanden op de grond vielen. De grijsaard zakte in elkaar en stierf omwille van het feit dat er één enkele God is.

Elders hielden de verdwaasden en de inwoners van de stad stil voor de binnenplaats van een boerderij, die toebehoorde aan een pastoor en waar een bankier, Mar David bar Nathanael, heen was gevlucht met zijn vrouw, kinderen en bedienden. "Je kunt je gezin en je fortuin redden," zei de pastoor tegen hem, "je hoeft je alleen maar te bekeren." "Wel, ga de kruisdragers dan maar halen, zeg hen dat ze kunnen komen." De pastoor die in de overtuiging verkeerde dat hij hem had overreed, waarschuwde het volk dat zich verheugde en naderbij kwam om hem aan te horen. "Jullie zijn de heidenen!" schreeuwde hij toen naar hen vanuit een raam. "Jullie geloven in een God die van nul en gener waarde is, terwijl ik geloof aan de almachtige God, Hij die huist in het hemelse gewelf. Tot op deze dag heb ik op Hem vertrouwd en dat zal ik blijven doen tot mijn ziel mij verlaat. Ik weet met grote zekerheid dat als jullie mij doden, mijn ziel in het paradijs zal rusten in het licht van het eeuwige leven. Terwijl jullie zullen afdalen in eeuwige schande naar de afgrond van het verval en het verderf, met jullie God die niet meer dan een hoerenzoon is!"

De kruisdragers bestormden dadelijk het huis en doodden hem evenals zijn vrouw, dochter, schoonzoon, dienstbode en bedienden, in naam van de gehangene. Hun lichamen werden uit het raam gegooid. In een ander huis wilden zij Samuel bar Naeman en de zijnen dwingen om zich te laten bezoedelen door hun stinkende water. Na hun weigering vermoordden zij hen en vertrapten hen. Na de slachting hebben de onbesnedenen de Joden uitgekleed en uit de ramen gegooid, zelfs degenen wier geest nog in hun lichaam huisde. De stervenden die om water vroegen, boden zij aan te verzorgen en te redden als zij veranderden van God. Maar de stervenden schudden hun hoofd of weigerden met een gebaar. Dan werden ze gedood.

Zo waren er op één enkele dag (dinsdag 27 mei) elfhonderd offers: grote geleerden, zij die de Tora verklaarden, godvrezende mannen, gelovige mannen. De inwoners van de stad hebben hen naakt en boven op elkaar gestapeld begraven, maar ze hebben hen in ieder geval toch begraven. Zij hebben negen massagraven gedolven en daarin de mannen en de vrouwen, de vaders en de zonen, de vrouwen des huizes en de dienstboden bij elkaar gelegd.

Waarom heeft de hemel zich niet verduisterd? Waarom hebben de sterren hun glans niet verloren? Waarom hebben de zon en de maan zich niet verborgen toen zoveel heiligen omkwamen? Moge de verdiensten van allen die uit liefde en trouw de dood hebben aanvaard, ten gunste van ons getuigen bij het Opperwezen, mogen zij ons redden van de verbanning en de muren van Jeruzalem weer opbouwen, mogen zij de zonen van Juda en van Israël die verstrooid zijn over de wereld, herenigen!


Aantekeningen

Home Malben

printer

Bij de foto: De inname van Jeruzalem door de kruisvaarders, 15 juli 1099 (schilderij van Emile Signolo, 1847). Godfried van Bouillon dankt God in het bijzijn van Peter de Kluizenaar, een monnik die de leiding had over de eerste kruistocht.
Zie ook Jodenvervolging in Europa

"De negen tochten falen". Dit is de conclusie van een gedicht over de Kruistochten in het stuk “Hagar” van de dichter Da Costa. De titel is “Het zwaard voor pelgrimsstaf geheven.”

Wat hierna onder de titel "De eerste kruistocht 1096" in de tekst is opgenomen is ontleend aan het boek “De Herinnering aan Abraham” van Marek Halter. 1985. Blz. 239 t/m 245.

Over de eerste kruistocht van 1096 is in 1941 het volgende boek verschenen: Jews and Crusaders in Europe: A Translation of the Three Hebrew Chronicles of the First Crusade. Auteurs Salomo bar Simeon, Elieser bar Nathan samengesteld door C. Irving Dwork. Editie herdruk. Uitgever University of Southern California., 1941 364 pagina's.

  1. 1095-1099 Eerste kruistocht
  2. 1147-1149 Tweede kruistocht
  3. 1189-1192 Derde kruistocht
  4. 1202-1204 Vierde kruistocht
  5. 1218-1221 Vijfde kruistocht
  6. 1228-1229 Zesde kruistocht
  7. 1248-1254 Zevende kruistocht
  8. 1270-1270 Achtste kruistocht
  9. 1271-1272 Negende kruistocht
  10. 1212-1212 Kinderkruistocht