Kerkvaders

Augustinus

Augustinus Augustinus (overleden 430) was bisschop van Hippo Regius en een belangrijke kerkvader. Hij heeft onder andere over de verhouding tussen christenen en joden geschreven. In zijn 'Tractatos Adversus Judaeos' worden joden een gevaar voor het christendom genoemd. De joden zijn na Golgotha, na de Godsmoord, verworpen, maar de hoop op bekering blijft bestaan. Genoemd traktaat is aan christenen gericht met als doel de christenen in hun geloof te onderwijzen en om te leren over het jodendom en hoe de apologetiek tegen het jodendom gevoerd moet worden.

In de "De duobus filiis ex Evangelio", naar aanleiding van de gelijkenis van de verloren zoon in Lucas 15,11-32 gebruikt Augustinus de allegorie om de tekst te interpreteren, zoals hij zoveel Bijbelteksten benaderde op deze wijze. De jongste zoon staat voor de christen en de oudste voor de jood. De jood was nog niet tot het gemeste kalf i.e. Christus gekomen. Maar het joodse volk blijft Gods volk omdat het de wet heeft beantwoord. De verharding van het joodse volk is van God gewild en met de verwoesting van de tempel en Jeruzalem in 70 ging Maleachi 1,10 in vervulling. De verstrooiing van de joden is als een getuigenis voor het christendom. Joden zijn door het Kaïnsteken gebrandmerkt en dat gaat overal met hen mee. Joden zijn vijanden en slaven van de kerk en zij zijn verstoten vanwege hun ongeloof.

De Joden verdienden de strengste straf vanwege hun moord op Jezus. Hij had een geweldige hekel aan andersdenkenden. Als het om geestelijke kwesties ging was geweld toegestaan, De taak van de kerk was ketterij op te sporen en de overheid moest dan straffen. Hij werd door velen, waaronder Calvijn, gezien als een van de belangrijkste theologen van het Christendom. Hij was de imperiale theoloog van het Romeinse rijk. Naar mate het roomse Christendom zich door Europa verspreidde gingen de woorden van Augustinus een eigen leven leiden. Iedere paus riep de katholieken en regeringen op Joden op een afstand te houden.1

De positie van het joodse volk in het christendom van de eerste eeuwen is in religieus opzicht inferieur geworden. De kerk is in de plaats van Israël gekomen en de beloften die Israël golden zijn overgegaan naar de kerk. Joden werden beschouwd als blinde, onwetende, ongelovige, arrogante en gierige mensen. Zij zijn Godsmoordenaars en dragen daarvoor collectief schuld. God heeft het joodse volk verstoten en de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in 70, zijn daarvoor het bewijs. De gelijkstelling van joden met demonen en de duivel wordt steeds verder ontwikkeld. De drang van christenen om joden te bekeren is alleen in het belang van de christenen opdat de wederkomst van Christus hierdoor bespoedigd zou worden.

Origenes

Origenes behoort tot de belangrijkste kerkvaders. Hij leefde in de 3e eeuw. Zijn moeder was vermoedelijk een joodse christin. Origenes kende Hebreeuws. Het is niet duidelijk of hij die taal slechts oppervlakkig beheerste dan wel een grondige kennis van het Hebreeuws bezat. Hij maakte onderscheid tussen "Hebraioi" en " Iudaioi". "Hebraioi" is de benaming voor het oude Israël, het uitverkoren volk en ook wel voor de joden uit zijn tijd. "Iudaioi" wordt met name polemisch gebruikt en heeft een negatieve klank. Origenes was tevens op de hoogte van joodse gewoonten en gebruiken zoals de besnijdenis, de voedselwetten en de feesten. Voor een deel had hij zijn kennis uit bronnen als het Oude - en Nieuwe Testament alsmede Joséfus en rabbijnse geschriften, voor een ander deel putte hij ook uit informatie vanuit zijn directe omgeving. Origenes was leraar en ouderling en stichtte een catechese-school in Caesarea.

Het Oude Testament is voor hem een christelijk boek. Mozes wijst vooruit naar Jezus. Genesis 1,26 en Genesis 49,10 duiden ook op Jezus. Het Hooglied beschouwt hij als het verbond van de kerk met Jezus Christus. Joden en christenen geloven in dezelfde God. Maar het christendom is het ware jodendom geworden door de besnijdenis van het hart. Dat is de vergeestelijking van de cultusvoorschriften. De kerk heeft de rol van de synagoge overgenomen en daarmee is de algehele verwerping van het joodse volk een feit. De aantijgingen van Origenes in de richting van het joodse volk zijn scherp.

  1. Joden hebben de Christus vermoord en zijn daar collectief verantwoordelijk voor.
  2. De verwoesting van de tempel in het jaar 70 is de verdiende straf voor het joodse volk en zij zijn door God verlaten.
  3. Joden hebben de schriften vervalst opdat christenen niet de bewijzen voor hun geloof zouden kunnen vinden.
  4. Joden willen tegen beter weten in niet in Christus geloven.
  5. Joden haten christenen en vervloeken Jezus in de synagoge (Achttiengebed).
  6. Net als ketters hebben joden het ware geloof niet en geloven zij in fabeltjes en gezwets.

Af en toe komt de relatie met duivel en hel naar voren, gebaseerd op Johannes 8,44 : "U bent uit de vader van de duivel en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoordenaar vanaf het begin en is in de waarheid niet staande gebleven; want er is geen waarheid in hem. Wanneer u de leugen spreekt. zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar en de vader van dezelfde leugen." Joden worden met Judas geïdentificeerd en gaan samen met hem naar de hel.

Ambrosius (± 340-397)

Ambrosius was een kerkvader en zoon van een Romeinse beambte. Hij was prediker en exegeet en werd in 374 bisschop in Mailand. Hij hield zich bezig met kerkelijke en politieke activiteiten en bestreed het Arianisme. In de opinie van Ambrosius onderscheiden Arianen zich niet veel van de joden. Ambrosius werd beïnvloed door Origenes, Eusebius en Philo, maar bleef zelfstandig in zijn theologie. Er zijn veel brieven van hem bewaard gebleven. In enkele daarvan blijkt dat hij een conflict had met keizer Theodosius I aangaande de verwoesting van de synagoge in Kallinikon. Ambrosius zegt dan dat hij zelf de synagoge in brand heeft gestoken opdat de Christus niet geloochend zal worden. Tevens zijn er brieven bekend die handelen over de Mozaïsche wetgeving. Ambrosius onderscheidt de natuurlijke wet, die door Adam te niet werd gedaan, van de latere Mozaïsche wet. De Mozaïsche wet rechtvaardigt niet en is daarom in tegenspraak met het evangelie. De wet van Mozes heeft een verwijzende functie.
Tevens spreekt hij over de joden als schijnbare erven. Het erfgoed is echter overgegaan naar de christenen. Evenals bij zijn voorgangers, ziet ook Ambrosius in het Oude Testament de heilsgeschiedenis van de christenen. De Psalmen spreken over Jezus. Lea en Rachel staan voor synagoge en kerk. Ambrosius maakt een scherpe scheiding tussen kerk en synagoge. De kerk is de enige bezitter van de waarheid. De synagoge is een plaats van ongeloof en Judas fungeert weer als type van de ongelovige jood. Bij Ambrosius is sprake van bekeringsdrang.
Ondanks deze harde uitspraken beschrijft hij ook enkele positieve punten zoals het dag en nacht bestuderen van de Schriften en de rituele reinheid.

Keizer Theodosius I (379-395)

Keizer Theodosius I Theodosius vaardigde veel decreten en edicten uit ten gunste van het christendom. De druk op de heidense traditie en het jodendom werd verhoogd met het doel hen in een sociaal isolement te brengen. Contact van christenen met joden werd zoveel mogelijk uit de weg gegaan en als zodanig vastgelegd in verschillende decreten. In het eerste decreet dat hij uitvaardigt met betrekking tot het joodse vraagstuk (Codex Theodosii 3,1,5) wordt gezegd, dat geen enkele jood een slaaf, die het christelijk geloof aanhangt, mag kopen. Ook is het niet toegestaan om die slaaf de besnijdenis te laten ondergaan. Mocht dit wel gebeuren dan wordt de slaaf weggehaald en de meester van de slaaf wordt dienovereenkomstig gestraft. Een ander verbod geldt het gemengde huwelijk (Codex Theodosii 3,7,2). Verder betalen joden belasting naar vermogen en hebben zij weinig autonomie. De joodse godsdienst wordt getolereerd en de christenen mogen de synagogen niet verwoesten en verbranden.

Johannes Chrysostomos

Chrysostomos (overleden 407) was bisschop van Constantinopel, hoofdstad van Byzantium. Hij werd verbannen wegens problemen met keizerin Eudioxia en collega's bisschoppen. Van Chrysostomos' hand zijn acht homilieën "Adversus Judaeos" bekend (386,387) en een geschrift uit 387 "Contra Judaeos et Gentiles" over de godheid van Christus en de vervulling van de profetieën door Christus.

Zijn apologetiek is polemisch van aard. Het doel is de joodse invloed op de christelijke gemeenten te verminderen en terug te dringen. Christenen en ook heidenen, werden namelijk door de joodse riten en symbolen, bijvoorbeeld de viering van de sabbat, aangetrokken. Chrysostomos richtte zich ook tegen christenen die de voorkeur gaven aan een joodse arts en tegen christenen die tegelijk met de joden op de veertiende Nissan het paasfeest vierden.

Bij Chrysostomos nemen allegorie en typologie een kleinere plaats in dan bij de andere kerkvaders. Hij verklaart de Bijbel op een meer filosofisch-historische en christologische wijze. Melchizedek is type voor Christus (Genesis 14,18-20) en Genesis 1,26 is een bewijsplaats voor de drie-eenheid. Eens was de Tora nodig maar zij is nu waardeloos geworden. Chrysostomos zegt dat joden de profeten wel gelezen hebben maar hen niet begrepen hebben. Zij zijn verstard en verhard in hun denken. Joden gaan tegen God en de Heilige Geest in en worden van Godsmoord beschuldigd. Voor joden bestaat geen vergeving. De verwoesting van de tempel en de verstrooiing is een straf van hogerhand. Bij Chrysostomos is een zekere gelijkstelling van joden met de duivel en de hel te vinden. De synagoge is een bordeel en een oord van duivels en gevuld met zielen van de joden zelf. Joden zijn rovers, gierigaards, bedriegers van de armen en oplichters. De joden zijn uit op oorlog en zijn overal te vinden. Zij hebben de Christus afgewezen en daarmee hebben zij God afgewezen. Joden zijn vijanden van christenen en van God.

Het beeld dat in de vierde eeuw over de traditie van de joden bestond is als volgt weer te geven:
  1. de joden verwachten herstel van de tempel en Jeruzalem;
  2. de joden verwachten een terugkeer naar Israël in de dagen van de komst van de Messias;
  3. de joden geloven niet dat de profeten de Christus voorzeggen;
  4. de joden geloven dat Jezus, door God zijn vader te noemen, zich aan God gelijk maakte;
  5. de joden geloven dat Jezus geen God was maar een gewoon mens, een bedrieger, een tovenaar, een overtreder van de wet en de vijand van God;
  6. de joden geloven dat de gebeurtenissen in het jaar 70 mensenwerk waren en niet de hand van God waren als teken van verwerping.

Hiëronymus

Hiëronymus (overleden in 420) was samen met Augustinus de geleerdste Latijnse kerkvader. Hij had kennis van het Grieks en het Hebreeuws. Hij is bekend om zijn Latijnse Bijbelvertaling, christelijke literatuurgeschiedenis en bijbelcommentaar. Hiëronymus richtte zich tegen christenen die zich nog aan de Tora vast wilden blijven houden. Hij zag de joodse riten als verderf voor christenen en degene die ze aanschouwde is als aan de duivel vervallen. Hiëronymus heeft hatelijke en polemische uitspraken gedaan met betrekking tot joden en jodendom omdat zij nog steeds de Messias verwachten. De joden zijn vervolgers van de kerk, de joden zijn gierig, de synagoge wordt als een overspelige en hoer afgeschilderd. De gebeden en psalmen van de joden en de lofzeggingen van ketters zijn voor God als het geknor van varkens en het gebalk van ezels. In de synagoge wordt de kerk drie keer per dag vervloekt. Het joodse volk is verworpen en draagt collectief de vloek tot aan het einde van de wereld. Er is geen hoop voor het joodse volk. Daarom heeft Hiëronymus geen bemoeienis met joden bekering. In zijn bijbelcommentaar is Hiëronymus tegen de joodse en judaïserende Schriftuitlegging. "Wat we in het Oude Testament lezen vinden we in het evangelie en wat in het evangelie gelezen wordt, wordt bevestigd door het Oude Testament".

Justinianus I (527-565)

Justinianus I streefde naar eenheid van het rijk met een christelijke eenheidsreligie en was de behoeder van de orthodoxie. Het jodendom als getolereerde religie hield bijna op te bestaan en ook de heidenen en ketters bevonden zich in een moeilijke positie. De burger - en mensenrechten werden danig ingeperkt voor de niet-christenen. Tijdens Justinianus I vond de codificatie van het Romeinse recht plaats (528-535). Dit resulteerde in de "Institutiones"; de "Digisto" (jurisprudentie); de "Codex Justinianus" en de "Novellae". In deze Novellae waren constituties van Justinianus opgenomen van na 535. De specifieke wetgeving over joden is vooral te vinden in de "Codex Justinianus". Enkele voorbeelden zijn:

  1. Joden mogen geen christelijke slaven bezitten (Codex Justinianus 1,3,54,8-11).
  2. Kinderen van ketters, joden en Samaritanen, die christen zijn, mogen niet onterfd worden door hun ouders (Codex Justinianus 1,5,13).
  3. De bezittingen van degenen die overgaan naar het jodendom worden geconfisqueerd (Codex Justinianus 1,7,1).
  4. Vermogensverlies en doodstraf voor een ieder die een christen afvallig heeft gemaakt ten gunste van een andere (joodse) religie (Codex Justinianus 1,7,5).
  5. Gemengde huwelijken tussen joden en christenen zijn verboden (Codex Justinianus 1,9,6).Gemengde huwelijken tussen joden en christenen zijn verboden (Codex Justinianus 1,9,6).
  6. Joden worden bepaalde ambten in het bestuur ontzegd (Codex Justinianus 1,9,18).
  7. Alleen katholieke advocaten kunnen in dienst zijn in de hoofdstad en de provincie (Codex Justinianus 2,6,8).

Het merendeel van deze wetgeving is gebaseerd op de Codex Theodosius, maar Justinianus heeft de maatregelen aangaande Jodenwetten verscherpt. Tijdens de regering van Justinianus was het betrekkelijk rustig en de periode werd gekenmerkt door weinig welvaart.

Aantekeningen

Home Malben

printer

De gegevens van hiernaast staande kerkvaders zijn overgenomen uit de inleiding van het boek "Het Joods-christelijk dispuut en Josef Albo ± 1380-1444", geschreven door drs. D. S. C. Somer.

Voor een aantal gegevens is gebruik gemaakt van de website Joden vervolging in Europa.

Sinds het oecumenisch concilie van Nicea in het jaar 325 werden de Joden beschouwd als ketters die moesten worden vervolgd. Daarna zorgden veel wetgevingen ervoor dat de Joden in een isolements-positie werden gedrongen: de Codex van Theodosius II (5e eeuw), het Concilie van Orleans (538), de kerkelijke wetten van Toledo (589) en die van Rome (743) - om maar slechts enkele voorbeelden te noemen - verboden huwelijken tussen Joden en niet-joden.