De zonde van Jerobeam

In Exodus 32 wordt de zonde van het gouden kalf beschreven. In vers vier: "Dit zijn uw goden Israël die u uit Egypte hebben geleid."

Hieronder volgt 1 Koningen 12:25-33 overgenomen uit de Herziene Statenvertaling met als kopje

De kalverdienst van Jerobeam.

  • 25. Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.
  • 26. En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.
  • 27. Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.
  • 28. Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.
  • 29. En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.
  • 30. Dit werd aanleiding tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.
  • 31. Hij maakte ook een godshuis op de offerhoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.
  • 32. Verder stelde Jerobeam een feest in voor in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda gevierd werd, en hij besteeg dan het altaar. Zo deed hij ook in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de offerhoogten die hij gemaakt had.
  • 33. Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn eigen hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.
Jerobeam was de eerste koning van het tien stammenrijk, dat ook wel Israël, Ephraim, en Samaria wordt genoemd. Dit rijk is nogal beïnvloed door de Phoeniciërs die o.a. in het huidige Libanon woonden. De Phoeniciërs aanbaden de Baal.

Jerobeam maakte twee gouden kalveren en zei tot het volk het is teveel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Jeruzalem de plaats die God had uitverkoren voor de tempel, om daar gediend te worden door de priesters en levieten als opvolgers van Aäron.
Jerobeam plaatste een gouden kalf in Betel en één in Dan. Jerobeam herhaalt dezelfde zin die door Aäron gebruikt werd bij het gouden kalf in de woestijn: "Dit zijn uw goden o Israël die u uit het land Egypte hebben geleid."

Hier zien we een vermenging van heidense afgodendienst met de dienst van God. Jerobeam verving echter meer dan alleen de plaats Jeruzalem en de tempeldienst. Hij verving ook het Loofhuttenfeest, dat volgens voorschrift van God gehouden moest worden in de zevende maand. Hij liet dit feest vieren in de achtste maand. Hierdoor veranderde hij dus ook de kalender zoals die door God was voorgeschreven. In vers 33 staat "die hij in zijn hart bedacht had".
Hij stelde eigen priesters aan waarmee hij de priesters en levieten, die naar het voorschrift van God uit de stam van Levi moesten komen, verving.

Na een lange periode, waarin de opvolgende koningen steeds voortgingen in de zonde van Jerobeam, werd het tien-stammenrijk weggevoerd. Er is tot op de huidige dag nooit meer iets van vernomen.

Waar het ons omgaat is dat je Jerobeam de eerste "vervangingstheoloog" zou kunnen noemen. Hij mixte de godsdienst voorgeschreven door God met het heidendom.

In het navolgende hopen wij aan te tonen dat ook het christendom een mixture is van heidendom en verkeerd begrepen Jodendom. Daarnaast hopen we te laten zien dat een "nieuwe" godsdienst niet nodig was en is. God heeft met de volkeren het Noachitische Verbond gesloten en het Joodse volk tot zijn volk gekozen. Hij openbaarde zich als de God van Abraham, Izaäk en Jakob en bevestigde het verbond met hen, heel nadrukkelijk, door de openbaring op de Sinai met de daarmee gepaard gaande wetgeving. Dit verbond is eeuwig. De claim van het christendom, dat zij het nieuwe verbond zijn, waarover in Jeremia 31:31-33 wordt gesproken, is volgens ons dan ook niet terecht.
  • 31. Zie, er komen dagen, spreekt de Hashem, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,
  • 32. niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Hashem.
  • 33. Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de Hashem: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.

We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat zij die hierin een verbond met de volkeren zien, met de kerk zoals u wilt, een probleem hebben met het lezen wat er staat.

Aantekeningen

Home Malben

printer

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" en is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Jes 41,4: "Wie heeft dit bewerkt en gedaan? Hij Die de generaties riep vanaf het begin! Ik, Hashem, Die de Eerste ben, en bij de laatsten ben Ik Dezelfde."

Kalverendienst Jerobeam