Jesaja 53: Het lijden van de dienaar

Het wegsnijden van de vervormingen en
de verkeerde vertalingen van deze raadselachtige tekst.

Een Thora rol Het 53e hoofdstuk van Jesaja is een prachtig, poëtisch lied, een van de vier "Servant Songs", waarin de profeet de climax van de wereldgeschiedenis beschrijft wanneer de Messias komt en het Joodse volk de rol als geestelijke leider van de mensheid aanneemt.

Jesaja 53 is een profetie die voorzegt hoe de wereld zal reageren wanneer zij getuige zal zijn van Israëls redding in het Messiaanse tijdperk. De verzen worden gepresenteerd vanuit het perspectief van de wereldleiders wanneer zij in hun eerdere minachtende houding jegens de Joden geconfronteerd worden met de nieuwe werkelijkheid van Israëls grandeur. Nu ze beseffen hoe oneerlijk zij het Joodse volk hebben behandeld, zullen ze geschokt en sprakeloos zijn.

Terwijl de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst duidelijk naar het Joodse volk verwijst als de "Lijdende Dienaar", is door de eeuwen heen Jesaja 53 uitgegroeid tot een hoeksteen van de christelijke bewering dat Jezus de Messias is. Helaas, is deze bewering gebaseerd op een wijd verspreide verkeerde vertaling en verstoring van de context.

Om deze verzen goed te begrijpen, moet men de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst lezen. Wanneer de Bijbel is vertaald in andere talen, verliest het veel van zijn essentie. De bekende King James-vertaling maakt gebruik van ouderwetse taal die moeilijk door de moderne lezer te begrijpen is. Bovendien is het niet geworteld in Joodse bronnen en gaat vaak in tegen de traditionele Joodse leer. Moderne vertalingen, weliswaar meer leesbaar, zijn vaak zelfs nog meer gescheiden van de ware betekenis van de tekst.

Voor een nauwkeurige Joodse vertaling van de Bijbel, leest men de "ArtScroll Engels Tanach."

De context van Jesaja 53

De sleutel tot ontcijfering van elke bijbelse tekst is het te bekijken in de context. Jesaja 53 is de vierde van de vier "Servant Songs."(De andere zijn te vinden in Jesaja hoofdstuk 42, 49 en 50.) Hoewel de "dienaar" in Jesaja 53 niet openlijk is geïdentificeerd - verwijzen deze verzen enkel en alleen naar "Mijn dienaar" (52:13, 53:11) - de "dienaar" in elk van de vorige "Servant Songs" is duidelijk en herhaaldelijk geïdentificeerd als het Joodse volk. Te beginnen met hoofdstuk 41, de gelijkstelling van Gods Dienaar met het volk Israël wordt negen keer door de profeet Jesaja genoemd, en niemand anders dan Israël wordt geïdentificeerd als de "dienaar":

  1. Je bent Mijn dienaar, O Israel (41:8)
  2. Je bent Mijn dienaar, Israël (49:3)
  3. Zie ook Jesaja 44:1, 44:2, 44:21, 45:4, 48:20

De Bijbel staat vol met andere verwijzingen naar het Joodse volk als Gods "knecht", zie Jeremia 30:10, 46:27-28; Psalm 136:22. Er is geen reden dat de "dienaar" in Jesaja 53 plotseling zou veranderen en refereren aan iemand anders dan het Joodse volk.

Een voor de hand liggende vraag, die moet worden beantwoord is: Hoe kan de "Lijdende Dienaar", waarnaar die verzen verwijzen grammaticaal in het enkelvoud staan en gelijkgesteld worden met de hele Joodse natie?

Deze vraag verdampt als we ontdekken dat in de hele Bijbel, het Joodse volk consistent grammaticaal in het enkelvoud wordt gebezigd. Bijvoorbeeld, wanneer God spreekt tot de gehele Joodse natie op de berg Sinaï, zijn alle Tien Geboden geschreven als gesproken aan één persoon (Exodus 20:1-14). Dit komt omdat het Joodse volk een eenheid is, verbonden met een gedeelde nationale bestemming (zie Exodus 4:22, Deuteronomium hoofdstuk 32). Deze referentie in het enkelvoud komt nog veel vaker voor in de bijbelse verzen die naar het Messiaanse tijdperk verwijzen, wanneer het Joodse volk volledig zal worden verenigd onder de vlag van God (Zie Hosea 14:6-7 en Jeremia 50:19).

Zoals we zullen zien, kan door tal van redenen dit hoofdstuk niet naar Jezus verwijzen. Zelfs in de christelijke geschriften, beschouwen de leerlingen de "Lijdende Dienaar" niet als een verwijzing naar Jezus (zie Mattheüs 16:21-22, Marcus 9:31-32 en Lukas 9:44-45).

Hoe komt het dan dat de "lijdende dienaar" in verband is gebracht met Jezus? Na zijn dood, keken zij die het Christendom promoten met terugwerkende kracht naar de Bijbel en "verklaarden" - door onjuiste vertaling en vervorming van de context - deze bijbelse verzen als zijnde een verwijzing naar Jezus.

De missionaris en apologeet Walter Riggans geeft openhartig toe:

"Er is geen vanzelfsprekende blauwdruk in de Hebreeuwse Bijbel waarvan kan worden gezegd dat deze ondubbelzinnig wijst op Jezus. Pas nadat men gaat geloven dat Jezus de Messias was, en meer bepaald de soort Messias die hij is, begon het allemaal zinvol te zijn... "(Jehosjoea Ben David, Olive Press 1995, p.155)

De bedoeling is niet een andere godsdienst zwart te maken, maar eerder inzicht te verschaffen in de ware betekenis van het Goddelijke woord.

Jesaja 53 - vers voor vers

In het begin van het boek Jesaja, voorzegt God de lange en moeilijke ballingschap van het Joodse volk. Hoofdstuk 53 staat in het midden van Jesaja's "Berichten van Troost", dat vertelt over het herstel van Israël als Gods uitverkoren volk.

De sleutel voor het begrijpen van dit hoofdstuk ligt in het correct identificeren wie aan het woord is. Hoewel het boek geschreven is door Jesaja, zijn de verzen 53:1-10 verteld vanuit het perspectief van de wereldleiders. Volgend in de voetsporen van het vorige hoofdstuk (Jesaja 52:15 - "de koningen zullen van verbazing hun mond dichtdoen"), beschrijven deze verzen hoe wereldleiders van ongeloof geschokt zullen zijn wanneer God`s dienaar Israël - tegen alle verwachtingen in - gerechtvaardigd is en in het Messiaanse tijdperk bloeit.

(1) Wie zou geloven wat we hebben gehoord! Aan wie is de arm van God geopenbaard!

In dit openings vers, zijn de wereld leiders geschokt door het ongelooflijke nieuws van de redding van Israël: "Wie zou geloven wat we hebben gehoord!"

Dit vers verwijst naar "de arm van God." In de hele Joodse Bijbel betekent Gods "arm" altijd een verlossing van het Joodse volk van een fysieke vervolging. Bijvoorbeeld, God haalde de Joden uit Egypte "met een sterke hand en een uitgestrekte arm"(Deuteronomium 26:8) (Zie ook Exodus 3:20, 6:6, 14:31 en 15:6; Deuteronomium 4:34, 7:19.; Jesaja 51:9, 52:10, 62:8, 63:12, Jeremia 21:5, 27:5, Ezechiël 20:33, Psalm 44:3, 89:11, 98:1 en 136:12).

(2) Voorheen groeide hij als een jonge boom of een wortel uit dorre aarde, hij had noch gedaante noch schoonheid. We zagen hem, maar zonder een wenselijk uiterlijk.

Deze beeldspraak van een boom die worstelt om te groeien in droge aarde is een metafoor voor de Joodse strijd in ballingschap. Een jong boompje in droge grond lijkt te zullen sterven. De Joden waren altijd een kleine natie, soms niet meer dan 2 miljoen mensen en met uitsterven bedreigd. In dit vers beschrijft Jesaja de wonderbaarlijke terugkeer van Israël uit de ballingschap, als een jonge boom die uitspruit uit deze droge grond. Dit idee komt voor in de hele Joodse Bijbel (zie Jesaja 60:21, Ezechiël 19:13, Hosea 14:6-7, Amos 9:15).

(3) Hij was veracht en verworpen door mensen, een man van pijn en gewend aan ziekte. Als een van hen waarvoor we onze gezichten zouden verbergen, hij werd veracht, en we hadden geen respect voor hem.

Dit vers beschrijft de dienaar als algemeen veracht en verworpen. Dit is een historisch thema voor het Joodse volk, want een lange lijst van onderdrukkers hebben de Joden behandeld als untermenschen (de Nazi's) of als een paria staat (De Verenigde Naties). Zie soortgelijke beelden in Jesaja 49:7, 60:15, Psalm 44:14, Nehemia 3:36.

Hoewel deze beschrijving duidelijk van toepassing is op Israël, stemt het niet overeen met het Nieuwe Testament dat Jezus beschrijft als immens populair (Mattheüs 4:25). "Grote massa's" mensen kwamen van heinde en ver om hem te horen spreken, en Jezus moest naar het water uitwijken om te voorkomen dat hij onder de voet werd gelopen door de menigte (Marcus 3:7-9). Lukas 2:52 beschrijft hem als een fysiek sterke en gerespecteerde man, een man wiens populariteit wijd en zijd bekend was en die "geprezen werd door allen"(Lucas 4:14-15) Een beschrijving die ver af staat van de schreeuw van Jesaja in zijn beschrijving van "veracht en verworpen."

Hoewel Jezus stierf als een misdadiger, beschrijft Jesaja iemand voor wie afwijzing de eeuwen heeft omvat en die duidelijk verwijst naar een volk, en niet naar een persoon die afgewezen is voor slechts een paar uur.

(4) Inderdaad, hij droeg onze ziekten en onze pijn - maar we beschouwden hem als een zieke, getroffen door God en verdrukt.

Tijdens de eeuwen van Israëls ballingschap, vervolgden veel landen de Joden onder het voorwendsel dat het God 's manier was de "vervloekte" Joden te "straffen", voor het feit dat zij de nieuwe godsdienst koppig verwierpen. In deze verzen tot het eind van dit hoofdstuk, bekennen de volkeren hoe zij het Joodse volk gebruikten als zondebok en niet voor de "nobele" redenen die zij beweerden.

Inderdaad, de volkeren vervolgden de Joden uit eigen belang als een afleiding voor hun eigen corrupte regimes: "Zeker hij droeg onze ziekten en onze pijn... "(53:4)

(5) Hij was gewond als gevolg van onze overtredingen en verbrijzeld als gevolg van onze ongerechtigheden. De straf op hem was in ons voordeel, en door zijn wonden werden wij genezen.

Dit vers beschrijft hoe de vernederde wereldleiders bekennen dat het Joodse lijden plaats vond als direct gevolg van "onze ongerechtigheden" - dat wil zeggen, verdorven Jodenhaat, in plaats van, zoals eerder beweerd, de koppige blindheid van de Joden.

Jesaja 53:5 is een klassiek voorbeeld van een verkeerde vertaling: Het vers zegt niet: "Hij was gewond voor onze overtredingen en verbrijzeld voor onze ongerechtigheden", dat het plaatsvervangend lijden uit zou kunnen drukken dat is toegeschreven aan Jezus. De juiste vertaling is echter: "Hij werd verwond vanwege onze overtredingen en verbrijzeld vanwege onze ongerechtigheden" Dit brengt tot uitdrukking dat de dienaar geleden heeft als gevolg van de zonden van anderen en niet het tegenovergestelde wat Christenen beweren - dat de dienaar geleden heeft om te boeten voor de zonden van anderen.

Inderdaad, het christelijke idee is in directe tegenspraak met de fundamentele Joodse leer dat God vergeving belooft aan allen die oprecht naar Hem terugkeren, dus is het niet nodig voor een Messias om boete te doen voor anderen (Jesaja 55:6-7, Jeremia 36:3, Ezechiël hoofdstuk 18 en 33, Hosea 14:1-3, Jona 3:6-10, Spreuken 16:6, Daniël 4:27, 2-Kronieken 7:14).

(6) We hebben allemaal gedwaald als schapen, ieder van ons ging zijn eigen weg, en God legde de ongerechtigheid, van ons allen, op aan hem [Israël].

De volkeren beseffen dat hun gebrek aan behoorlijk leiderschap ("herder") de oorzaak was dat zij de Joden behandelden met minachting. Ze erkennen bovendien dat de straffen die hen hadden moeten overkomen werden afgewend door Israëls lijden.

(7) Hij werd vervolgd en verdrukt, maar hij deed zijn mond niet open. Als een schaap geleid naar de slachter of als een lam dat stil is voor zijn scheerders, hij deed zijn mond niet open.

In diverse contexten gebruikt de Bijbel het beeld van "schapen naar de slachtbank geleid" specifiek met betrekking tot het Joodse volk. Bijvoorbeeld: "U geeft ons als schapen om gegeten te worden en verstrooit ons onder de volken" en "we worden beschouwd als schapen voor de slacht"(Psalm 44:12 en 23).

Dit vers profeteert de vele ontberingen - zowel fysieke kwellingen als economische uitbuiting - die de Joden doorstonden in de ballingschap. Ironisch genoeg, verwijst deze profetie voor een deel naar de kruisvaarders uit de 11e eeuw die "de Joden vervolgden en kwelden" in de naam van Jezus. In onze tijd, terwijl de Joden in Nazi-bezet Europa werden "geleid naar de slachter," bleven zij stil als een "lam dat stil is voor haar scheerders" - zonder klachten tegen God.

(8) Hij werd vrijgelaten uit gevangenschap en gericht; wie had zo'n generatie kunnen bedenken? Want hij was verwijderd uit het land van de levenden, omdat zij door de zonde van mijn volk werden getroffen.

De zin, "land van de levenden" (Eretz HaChaim) verwijst specifiek naar het Land van Israël. Dus dit vers: "Hij was verwijderd uit het land van de levenden," betekent niet dat de knecht werd gedood, maar werd verbannen uit het Land van Israël.

Dit vers beschrijft opnieuw de verbazing van de wereld wanneer zij getuige zijn van de terugkeer van de Joden naar het Beloofde Land. "Wie had dat kunnen denken" dat de natie die wij martelden nu bloeit. Wereldleiders geven een prachtige bekentenis: "Door de zonde mijn volk, is hen [de Joden] onrecht aangedaan."

Hier maakt de tekst absoluut duidelijk dat de onderdrukte dienaar een collectief volk is, en niet een enkel individu. Dit is waar kennis van het Bijbels Hebreeuws absoluut van cruciaal belang is. Aan het einde van het vers, verwijst het Hebreeuwse woord voor " zij waren" (lamoh) altijd naar een groep, nooit naar een persoon (zie bijvoorbeeld Psalm 99:7).

(9) Hij heeft zijn graf bij slechte mensen, en de rijken in zijn terechtstellingen, voor het plegen van geen misdaad, en met geen bedrog in zijn mond.

Missionarissen citeren dit vers als een bewijs dat Jezus een zondeloos leven heeft geleefd en dus de Messias was. Dit is tegengesproken door de evangeliën zelf, die melden dat Jezus zondigde door het overtreden van de sabbat (Johannes 9:16) en - door te beweren dat hij God was - daarmee het ernstige verbod schond om geen enkel fysiek beeld van God te maken(Johannes 10:33, 14:9-10).

Door de geschiedenis heen konden de Joden kiezen of "bekeren of sterven." Maar zoals dit vers beschrijft, er was "geen bedrog in zijn mond" - de trouwe Joden weigerden een heidense god als hun God te aanvaarden. In plaats van de Heilige Naam van God te ontheiligen, kozen zij "voor het graf" - dat wil zeggen kozen zij om te sterven in plaats van hun geloof af te zien. Als zodanig werd aan deze Joden vaak een fatsoenlijke begrafenis geweigerd, en afgevoerd als afval "naar het graf als slechte mensen."

Verder werden rijke Joden "geexecuteerd zonder een misdaad gepleegd te hebben" - gedood, zodat zondige veroveraars hun rijkdom konden confisqueren.

(10) God wilde hem onderdrukken en Hij verdrukte hem. Als zijn ziel schuld zou erkennen, zou hij nakomelingen zien en lange dagen leven, en Gods doel zou slagen in zijn hand.

"God wilde het Joodse volk onderdrukken", om hen te inspireren terug te keren naar het naleven van de Tora. Als de Joden alleen maar "schuld zouden erkennen", dan zouden zij hun "kroost zien en lange dagen leven." Dit verwijst naar de Messiaanse tijd wanneer alle Joden zullen leven naar de Tora.

Dit vers benadrukt dat de dienaar wordt beloond met een lange levensduur en veel kinderen. Dit vers kon evenwel niet verwijzen naar Jezus, die volgens het Nieuwe Testament, jong stierf en kinderloos was. (Bovendien, als Jezus de onsterfelijke Zoon van God zou zijn, dan is het absurd om dit toe te passen op het concept van "lange dagen leven.")

Hoewel missionarissen kunnen beweren dat "nakomelingen" verwijst naar geestelijke nakomelingen, is dit gebaseerd op verstoring van de tekst en een verkeerde vertaling. In dit vers, is het Hebreeuwse woord voor "nakomelingen" (zera heeft altijd betrekking op fysieke nakomelingen (zie Genesis 12:7, 15:2-4, 15:13, 46:6, Exodus 28:43). Een ander woord, banim, over het algemeen vertaald als "zonen," wordt gebruikt om te verwijzen naar geestelijke nakomelingen (zie Deuteronomium:14:1).

(11) Hij zal het doel zien en tevreden zijn met de nood van zijn ziel. Met zijn kennis zal Mijn knecht de massa leiden naar rechtvaardig zijn, en hij zal hun zonden dragen.

Missionarissen citeren dit vers om te beweren dat Jezus stierf voor onze zonden. Het christelijke idee van het vergeven worden van iemands zonden door het lijden van een ander persoon gaat in tegen de fundamentele Bijbelse leer dat elk individu moet boeten voor zijn eigen zonden door berouw te tonen. (Exodus 32:32-33, Deuteronomium 24:16, Ezechiël 18:1-4).

Dit vers beschrijft hoe de dienaar van God "de massa ertoe zal brengen rechtvaardig te zijn" - niet zoals sommigen verkeerd vertalen, "hij zal velen rechtvaardigen." De Joodse missie is om een "licht voor de volkeren", te zijn, en zo de wereld te brengen tot gerechtigheid door middel van de kennis van de ene ware God. De Joden zullen dit doen door zowel hun voorbeeld (Deuteronomium 4:5-8; Zacharia 8:23) als het onderwijzen van de volkeren in de Wetten van God (Jesaja 2:3-4; Micha 4:2-3). Zoals gezegd wordt: "De wereld zal vol zijn van de kennis van God, zoals water de bodem van de zee bedekt"(Jesaja 11:9).

(12) Daarom zal Ik hem een deel in het openbaar toewijzen en hij zal de machtigen verdelen als buit - in ruil voor het uitstorten van zijn ziel in de dood en gerekend werd onder de goddelozen, want hij droeg de schuld van velen, en bad voor de goddelozen.

Dit vers heeft het over hoe de Joden altijd bidden voor het welzijn van de landen waarheen ze werden verbannen (zie Jeremia 29:7). Het vers gaat verder met uit te leggen dat het Joodse volk, dat rechtvaardig de zonden van de wereld droeg en toch trouw bleef aan God, zal worden beloond.

Ten aanzien van bovenstaande passage, hebben sommigen beweerd dat de "lijdende dienaar" niet Israël kan zijn, omdat Israël zonden heeft. Toch is dit een misvatting, want we weten dat geen mens - zelfs Mozes - volledig vrij van zonde is. Toch werd Mozes als "rechtvaardig" beschouwd, waarbij men rekening houdt niet alleen met de goede daden, maar ook met iemands berouw na de zonde. Als Jezus God is, hebben deze ideeën geen betekenis.

Onmiddellijk na deze belofte van een beloning voor het lijden van de Joden(53:10-12), spreekt hoofdstuk 54 duidelijk van de verlossing die het Joodse volk te wachten staat. Dit punt wordt erkend door alle christelijke commentaren.

Conclusie

In de dagen van Jezus, zag niemand Jesaja 53 ooit als de voorzegging van de dood van de Messias. Toen Jezus zei: "Ik ga naar Jeruzalem, waar ik zal lijden en sterven," betrok de apostel Petrus dit niet op enigerlei wijze aan het lijden beschreven in Jesaja 53. Integendeel, Petrus bestrafte Jezus en zei: "Dat zij verre van u Heer, dit zal u niet gebeuren." Met andere woorden: "God verhoede - dit kan u niet overkomen"! Petrus had nooit verwacht dat de Messias gemarteld en vermoord zou worden (zie Mattheüs 16:21-22).

Boeiend is dat de 20e eeuwse christelijke "New Engels Bible-Oxford Study Edition" in een annotatie op Jesaja 52:13-53:12) duidelijk aangeeft dat de lijdende dienaar de natie Israël is, die "heeft geleden als een vernederd individu."

Als de context van Jesaja 53 zo duidelijk verwijst naar het Joodse volk, hoe kunnen dan zoveel christelijke leiders de Bijbel verkeerd hebben vertaald? De geschiedenis laat zien dat -om welke reden dan ook - velen dit willens en wetens deden:

Origenes, een prominent kerkleider uit de 3e eeuw, geeft, in een essay getiteld "Contra Celsus," toe dat Jesaja 53 verwijst naar het hele [Joodse] volk, als zijnde een individu, en zich bevindend in een staat van verstrooiing en lijden, opdat veel proselieten konden worden gewonnen op rekening van de verstrooiing van de Joden temidden van tal van heidense volken.

St. Gregorius, 4e eeuw bisschop van Nanianzus: "Een beetje vaktaal is alles wat nodig is om misbruik te maken van de mensen. Hoe minder ze begrijpen, hoe meer ze bewonderen. Onze voorouders en artsen hebben vaak niet gezegd wat ze dachten, maar gedicteerd wat de omstandigheden noodzaakten.

Dr Herbert Marsh, 19e eeuw Engelse bisschop: "Het is een zeker feit dat een aantal lezingen in onze gemeenschappelijke gedrukte tekst niets meer zijn dan wijzigingen gemaakt door Origenes..."

Walter Brueggemann Ph.D., een gewijde dienaar en auteur van 60 boeken over de Bijbel, schrijft: "Hoewel het duidelijk is dat deze poëzie niet in eerste instantie Jezus laat zien en het ook duidelijk is dat de kerk, vanaf het begin, vond dat deze poëzie een ontroerende en productieve manier was om daarin Jezus wel te zien, waarin vernedering gelijk is aan kruisiging en de verheerlijking gelijk aan de opstanding en de hemelvaart."

Waarom dit van belang is

Als alle verzen zijn ontleed, en alle bewijzen zijn gepresenteerd, kan men zich nog steeds afvragen: Wat voor verschil maakt het wie er gelijk heeft?

De theologische kloof tussen het Jodendom en het Christendom is niet beperkt tot de vraag: "Wie is de Messias of een debat over de vertaling van een aantal Bijbel verzen. Het Jodendom en het Christendom zijn twee verschillende geloofssystemen en verschillen over kernpunten als de existentiële aard van de mens, de rol van onze relatie met God, en de weg naar echte spirituele vervulling.

Joden hebben voor duizenden jaren standvastig hun geloof behouden, te midden van alle soorten van vervolging en ontbering. Ze hebben dat gedaan in het geloof dat het Joodse volk - als drager van Gods boodschap van moraliteit en rechtvaardigheid - een unieke en cruciale rol heeft te spelen in de menselijke geschiedenis. Zoals de profeet Jesaja voorzegt, zal dit bij uitstek duidelijk worden wanneer de Messias, de koning van Israël, komt. Moge dat spoedig zijn in onze dagen.

Voor verdere studie, zie

Outreach Judaism, Jews for Judaism, Jewish Isaiah53, Penina Taylor, waaraan veel van de informatie voor dit artikel is ontleend.

Geschreven door Marshall Roth. Vertaald uit het Engels door de webmaster.
Bron: Isaiah 53: The Suffering Servant

Aantekeningen

Home Malben

printer