In het Oostenrijkse leger

De treinen van Solomon, deel 13

Bron: Breslev.co.il Het was een mooie warme dag in juni in 1934. Drie dagen was het onderhoud- en schoonmaakteam van het Weense Technische Gymnasium (Middelbare school) op zoek geweest in één van de lokalen om de bron op te sporen van de verschrikkelijke stank, die de heer Zapf noodzaakte, tot nader order, de klas naar huis te sturen.

Uiteindelijk werd ontdekt, dat de oorzaak van de ondraaglijk doordringende geur een klomp heel oude Limburger kaas was, die was bevestigd aan de onderkant van het bureau van de docent. De warmste dagen van het jaar hielpen mee het "parfum" van de beroemde Limburger te versterken. Om dit te ontdekken was het nodig geweest het hele bureau uit elkaar te nemen, waarna de gewraakte kaas kon worden verwijderd. De heer Zapf had deze dubieuze prijs gewonnen voor zijn nare stijl van omgaan met de joodse leerlingen in zijn klas.

De chef onderhoud bracht rapport uit over hun vondst aan de directeur van de school. Hij eindigde zijn verslag met "Mijnheer, wij hebben nog minstens drie dagen nodig om het bureau goed te reinigen en vervolgens weer in elkaar te zetten. Ook zal de lucht in de klas pas na drie dagen weer fris zijn. Ik zweer dat ik er zeker van ben, dat de duivel zelf niet slechter ruikt dan dit klaslokaal." Door de slimheid en durf van de truc, werd de schuld direct aan Moshe gegeven. Naar zijn huis was een brief verzonden met het verzoek aan Moshe om de volgende ochtend in het kantoor van de directeur te verschijnen.

In het kantoor van de directeur van het Weens Technisch Gymnasium stond Moshe Paul voor hem en de ordehouder van de school. Hij was dit gewend, maar hij was sinds een lange tijd niet in het kantoor van de directeur geweest. Er was niet veel veranderd. Er waren nog steeds hetzelfde chique gesneden eikenhouten bureau, de met leer beklede stoelen, en de kersenhouten lambrisering, hoewel het oude versleten tapijt vervangen was. Toen zag hij een verontrustende verandering. Er was altijd een plakkaat met het Oostenrijkse wapen op de muur geweest. Dit bestond uit een zwarte arend met gespreide vleugels, gekruld omhoog met een hamer in de ene klauw en een sikkel in de andere. Maar nu was er iets toegevoegd. Bovenop de staartveren van de adelaar stond een rode schijf met een zwart hakenkruis daarin.

Terwijl Moshe naar het plakkaat staarde, dacht hij bij zichzelf: "Zoals we al vermoeden, Zapf en de andere vier zijn niet de enigen die medewerkers van de nazi-bende zijn. Dit verklaart een heleboel."

De directeur zei: "Jongeman ik neem aan dat je erg trots bent op jezelf, zoals je daar zo zelfvoldaan staat."

Moshe Paul's antwoord verbaasde hen echter nog meer. "Mijnheer de directeur met alle respect, u moet toegeven dat het een geniaal idee was, of niet soms?" Hij kon niet nalaten te grijnzen.

Zowel de directeur als de ordehouder werden afwisselend rood en wit. Met de toegenomen spanning zeker merkbaar in zijn stem, tot het punt waarbij hij bijna stotterde, vervolgde hij, "De - de volkomen brutaliteit - en de oorzaak ervan zijn dat schooleigendom wordt vernietigd dat gaat ons begrip te boven. Je - je moet dankbaar zijn, dat we het bureau niet in rekening brengen. Ik moet je meedelen dat dergelijke misbruiken niet in onze school geaccepteerd kunnen worden. Dit is je afstudeer jaar. We staan nu een maand voor het einde van het schooljaar en ik geef je hierbij nu alvast je rapporten en je diploma. Je kunt gaan en snel alsjeblieft. Verdwijn vervloekte Jood!"

Moshe pakte snel zijn rapport en diploma van het bureau, toonde zijn charmante glimlach en antwoordde: "Dank u wel mijnheer de directeur. Ik ben er bij betere plaatsen uitgegooid." Toen liep hij snel weg en zij hadden geen kans meer om nog iets te zeggen.

Nadat hij vertrokken was draaide de ordehouder zich om en zei: "Ik haat het om het toe te geven, maar die vervloekte Joodse jongen is slim. Toch zal zijn slimheid hem niet helpen wanneer de Führer Oostenrijk heeft overgenomen. Ik bid dat het binnenkort zal gebeuren en we van al die Joden verlost zullen zijn."

Op de weg naar de uitgang van de school, riep één van de docenten hem apart. "Dat was slim. Maar zeg niemand dat ik dit zei, maar ik prijs je voor wat je gedaan hebt. Kom vanavond naar mijn huis, ik wil je helpen bij je plannen voor de toekomst."

Het huis stond in een gemengde wijk, niet de beste en niet slechtste wijk van Wenen. Het had zware bakstenen muren. Zowel het exterieur als het interieur was schoon en ordelijke. Toen Moshe naar binnenging merkte hij, dat aan de binnenkant van de rechter deurstijl het hout op een bepaalde plek iets anders gekleurd was dan de rest. Hij veronderstelde dat het te wijten was aan een aantal reparaties.

Die avond in het huis van Franz Oberhoisen met een dubbel slot op de deur en de gordijnen goed gesloten, hoorde Moshe iets, waarvoor hij een tijdje nodig had om het te geloven.

"Wat, is mijnheer Franz een Jood?"

Van onder de vloer haalde Franz een doos met papieren, die bewezen dat hij een Jood was. Van achter een geheim paneel in de muur, haalde hij een veel gedragen Talit (gebedsmantel), een set tefillien (gebedsriemen) en een siddur (gebedenboek). Om verder te bewijzen dat hij Jood was, vertelde hij, dat hij het avondgebed al gedaan had, en zei hij meerdere stukken uit het ochtend gebed uit het hoofd op. Ook vertelde hij welke wekelijks portie op de komende Sabbat gelezen moest worden.

"De plek op de deurstijl die je twee keer hebt bekeken verbergt een mezoeza. Het is zo gemaakt dat het door niemand als zodanig te herkennen is.

"Moshe, kom mee naar de kelder. Daar zul je zien, dat ik een eigen mikwe (rituele reinigingsbad) heb, maar ook die is verborgen. Niet alleen ben ik een Jood, maar ik ben een orthodoxe religieuze Jood. Nu weet je ook waarom ik altijd een soort van pet of hoed draag, zelfs in de klas. Mijn verhaal, dat ik anders kou vat, is slechts een dekmantel."

Mijnheer Franz liep met hem naar een boekenkast op een buitenmuur in de buurt van een hoek van de salon, althans het leek op een buitenmuur. "Neem het boek 'Water is leven', aan de rechterkant op schouderhoogte, en voel wat erachter zit. Ja, je voelt een kleine hefboom? Trek er maar aan. Trek nu aan de zijwand van de boekenkast."

De boekenkast draaide zonder geluid te geven op scharnieren en onthulde, slim verborgen in de dikke buitenmuur, een smalle trap naar beneden, naar een geheime kelder. Franz sloot de deur achter hen.

Bij het afdalen van de trap kwamen ze in een kleine vestibule met twee deuren. Eén gaf toegang tot een studeerkamer met boekenkasten met daarin een paar honderd boeken, variërend van Tora, Profeten, etc, tot commentaren en legenden en boeken over de joodse wet en ethiek. De andere deur gaf toegang tot een nette schone mikveh, klein maar groot genoeg om aan alle kosjer eisen voor rituele reiniging te voldoen. Moshe Paulus bevond zich nu in een staat, die hij niet zo goed kende. Hij was namelijk voor het eerst in jaren sprakeloos.

Ze keerden terug naar de salon en mijnheer Franz sloot zorgvuldig de geheime deur en zorgde ervoor, dat er geen spoor was achtergebleven waaruit kon blijken dat de deur was geopend.

"Nu kan je met alle gemak een kopje thee en een stuk taart nuttigen. Ja? Wat heb je liever een chocolade taart of taart met gedroogd fruit?"

Toen zij aan de keukentafel zaten, overhandigde mijnheer Franz Moshe een stuk papier en zei: "hier staat de naam en het regiment van een officier in het leger, die ook in het geheim een Jood is. Ik heb hier, voor jou, opgeschreven, waar en hoe hem te vinden."

Hij gaf hem een tweede papier en voegde eraan toe, "Laat hem dit briefje van mij zien en hij zal je daar helpen. Als het leger niet zal toestaan dat je hem benadert voordat je hebt dienst genomen neem dan dienst bij de door paarden getrokken artillerie en van de plaats waar je gelegerd wordt, probeer hem dan zo te vinden. Misschien kun je zeggen dat je groeten aan hem moet doen van een oude schoolvriend.

"Opnieuw smeek ik je om niemand in Oostenrijk te vertellen dat ik een Jood ben. Houd in gedachten, dat je in het leger geen dingen kunt doen, die je op school deed. Ze zouden je vermoorden, en snel. Moge God je helpen, en moge God onze mensen helpen. Ik vrees, dat wat op het punt staat te gebeuren het ergste is wat ons land ooit heeft gezien. Shalom jongeman en God zegen je."

De inschrijvingsprocedure verliep gladjes, behalve de onnozele opmerkingen over joden. Omdat hij sterk was, in zeer goede fysieke conditie verkeerde en een goed rapport metaalbewerking had van de Weens Technische School, kon hij eenvoudig kiezen om smid en hoefsmid te zijn bij de door paarden getrokken artillerie.

* * *

Er waren zes maanden verstreken sinds Moshe in militaire dienst was gegaan. Sergeant Hans Schwarzkopf en Korporaal Dietrich Yeager hadden het volgende commentaar op de nieuwe rekruut. "Hum, die vuile Jood moet altijd, elke ochtend bij het ontwaken, eerst zijn handen wassen. Vreemde mensen zijn dat."

"Yeager zei, wast hij altijd zijn handen omdat hij vuil is?"

"Wat? Oh, misschien, omdat hij weet dat hij vuil is net als zijn hele mensonwaardig ras en probeert hij daarom zichzelf schoon te maken."

"Zal hem niet helpen. Het vuil zit van binnen."

"Waarom moeten we in ons leger lijden onder hun aanwezigheid?"

"Ze zijn nuttig en wanneer ik iemand nodig heb voor een bijzonder walgelijk werk of iets wat vooral gevaarlijk is, geef ik de voorkeur aan één van hen, in plaats van één der onzen. Ik geniet er ook van hen voor de gek te houden, of te zorgen, dat wat ze moeten doen mislukt, zodat ik ze kan straffen." "Je hebt geweldige ideeën."

"Daarom ben ik sergeant en geen korporaal. Wacht maar af, wat ik deze middag met hem ga doen. Om me te helpen hem dwars te zitten, zorg ik dat enkele slecht gemaakte hoefijzers krijg uit de afvalbak van de hoefsmid."

"Ja meneer, met plezier."

Die middag wordt Moshe geroepen door sergeant Schwarzkopf. "Soldaat Moshe Paul, kom hier. Neem deze en ga en besla het paard van de kapitein. Wees snel en doe het goed."

Moshe keek naar de hoefijzers, daarna naar de sergeant, weer terug naar de hoefijzers en opnieuw naar de sergeant. "Ach meneer, deze hoefijzers lijken mij helemaal niet goed."

"Onbeschaamde Jood, je hebt het gewoon maar te doen, je bent hier in opleiding en je wilt jezelf al doen voorkomen als een superieure hoefsmid? Volg mijn orders op anders breng ik je voor de krijgsraad en word je gestraft voor het niet opvolgen van orders. Je gaat dan voor vier maanden in de militaire gevangenis."

Terwijl hij over het slecht onderhouden gazon liep vanuit het kantoor van de sergeant naar de stallen van de officieren, peinsde hij over de val die voor hem was uitgezet. Moshe wist, dat hij werd gepakt, maar vroeg zich af hoe hij daaruit moest komen. Dan, "Ach, hoe briljant van mij, al zeg ik het zelf."

Bron: Breslev.co.il Hij nam de hoefijzers, die ook als waren ze niet defect geweest, niet zouden passen, ging naar de stallen van de officieren en bracht het prachtige rijpaard van de kapitein naar buiten. Toen wachtte hij...

Hij zag Fritz, de domkop van de barak, voorbij lopen. Hij gaf zichzelf "toevallig" een mep met een hamer op de hand, zelfs slaagde hij erin dat het wat bloedde en riep "met pijn".

"Au wat een kluns ben ik! Fritz, kom me helpen."

Nadat hij Moshe had geholpen zijn gewonde hand te verbinden, voelde Fritz zich zeer vereerd toen hij het favoriete paard van de kapitein mocht beslaan. Hij kreeg zelfs de eer om het werkformulier met zijn naam te ondertekenen. Oh hoe blij en trots was hij.

Terwijl hij naar de ziekenboeg wandelde om zijn hand te laten verzorgen, dacht Moshe bij zichzelf. "Nu, ik ben mooi de dans ontsprongen. Maar met wat zal de sergeant vervolgens komen. Ik moet op zoek gaan naar kolonel Nuestater."

Toen de dokter in de ziekenboeg Moshe's hand verbond zei hij: "Dwaze jongen die je bent, je moet voorzichtiger zijn. Dat is nogal een klap die je jezelf daar gaf. Ik moet je een week vrijstellen van elk werk. Ik ga ervan uit, dat sergeant Schwarzkopf hierover niet moeilijk zal doen. Hmmm, ik zal de kampcommandant vragen je zeven dagen verlof te geven."

"Dank u wel dokter. Overigens kunt u mij misschien helpen uit te vinden waar het 23e regiment ligt? Ik wil daar iemand een bezoek brengen, om de groeten over te brengen van een gemeenschappelijke vriend uit Wenen."

"Het 23e? Ja zeker, kan ik je dat vertellen. Ik diende daar ook voor een tijdje. Wanneer je er toch bent breng dan ook mijn groeten over aan kolonel Nuestater." De dokter knipoogde naar Moshe en tilde iets op wat bleek niet zijn natuurlijke haren te zijn, maar een toupetje, en fluisterde. "De halacha beschouwd dit ook als een hoofdbedekking. Overigens waren Johan Franz en ik jeugdvrienden." De dokter knipoogde weer en toen zei hij hardop wat andere oren mochten horen. "Zo is het genoeg soldaat. Je bent hier lang genoeg geweest. Verdwijn nu maar."

Moshe was opgetogen. Hij had voor een hele week een verlofpas, plus een briefje waarin vermeld stond waar het 23e regiment zich bevond. Ook had hij van de dokter een officiele verklaring, waarin hem werd toegestaan naar dit regiment te reizen met een vermeende boodschap van de arts aan de kolonel.

Hij ging naar huis, rustte een paar dagen uit, en daarna, in uniform met zijn rugzak op zijn rug ging hij op weg om kolonel Nuestater te ontmoeten.

Een tweedaagse treinreis, en een vijf uur durende wandeling later, stond hij bij de poort van het 23ste Artillerie basiskamp. Het was bijna twee keer zo groot als dat van het 17e, waar hij was gestationeerd.

"Halt! Papieren! "Twee bewakers stonden voor hem, de ene wees direct met zijn geweer naar hem,de andere hield zijn hand op om de papieren te ontvangen via het traliewerk van de grote zware ijzeren poort.

Rustig en kalm overhandigde hij de papieren en wachtte op hun reactie. Een zorgvuldige blik over zijn papieren en een telefoontje naar een officier in het kamp, "Er staat hier een soldaat met een brief voor kolonel Nuestater van dokter Rottman." Nadat toestemming werd ontvangen openden ze de poort, die in tegenstelling tot de poort van het 17e Regiment niet kraakte.

"Soldaat kom snel naar binnen!"

Met zijn altijd charmante glimlach kwam Moshe snel naar binnen en zei: "Dank u fijne heren". Een commentaar waarbij de twee bewakers in verwondering elkaar aankeken. Moshe grinnikte stilletjes bij zichzelf: "Die zullen zich wel achter hun oren krabben."

De ontmoeting met kolonel Nuestater was voorzichtig vriendelijk. De boodschap van Franz Oberhoisen en dokter Rottman opende een deur voor hem. Maar het geheim moest blijven wat het was, een geheim. Snel werd overplaatsing van het 17e regiment naar het 23ste geregeld. Binnen een week werd Moshe gepromoveerd tot korporaal.

Hoewel het leven in het 23ste regiment gemakkelijker voor hem was, was er geen manier om volledig te ontsnappen aan het antisemitisme, dat zo wijdverbreid was in het Oostenrijkse leger.

Een paar weken na zijn overgang naar het 23ste deed zich een interessant incident voor. Een incident dat hem deed denken aan sergeant Hans Schwarzkopf en waarin zijn scherp oog en goed geheugen hem goed van pas kwam.

Het was tijdens het ochtendappel.

"Geef acht!"

De kapitein inspecteerde de paarden in de stal waarvoor Moshe gedeeltelijk verantwoordelijk was. Hij ging van de ene naar de andere en controleerde de vacht, de benen, de voeten, de toestand van de zadels en de harnassen etc.

"Korporaal Jood hoefsmid stap voorwaarts! Kom met me mee en inspecteer de paarden."

Bij een bepaald rijpaard stopte hij bij de voeten. Keek twee keer en schreeuwde. "Korporaal! Schaam je! Ik breng je voor de krijgsraad voor zo'n nalatig en belabberd werk. Kijk eens naar deze hoeven. Arm paard, wat een inferieur werk!"

Moshe herkende snel het paard en de hoeven. Het was het paard, waarmee de sergeant van het 17e regiment had geprobeerd hem in de problemen te brengen. Het dier was pas gisteravond aangekomen. "Mijn excuses voor het feit dat ik iets wil zeggen kapitein, maar dit is niet mijn handwerk. Kijk alstublieft op de identificatie. Het kwam gisteravond aan uit het 17e regiment. Vanwege mijn werk daar kan ik u vertellen wie dit arme beest heeft beslagen. Nogmaals mijn excuses dat ik iets heb gezegd..."

"Korporaal je durft mij te corrigeren?"

"Kapitein, in mijn waardering en respect voor u durf ik u te beschermen tegen een ernstige fout en een berisping door de kamp commandant! Ik smeek u, mij in staat te stellen de slechte afwerking van de hoefsmid van het 17e regiment te corrigeren en de schade aan het arme paard. U zult zien, dat nadat ik heb gedaan wat er gedaan moet worden, het een bekroond rijpaard voor u zal zijn."

"Hum. Goed gezegd korporaal. Je verzoek wordt ingewilligd. Maar zorg ervoor, dat je het goed doet en alles zult doen wat je hebt beloofd." Terzijde voegde hij er zachtjes aan toe. "Paul jij arrogante kleine Jood, mijn complimenten voor je scherpe ogen en je goede wil. Ik zweer je bij God, dat als je geen Jood was kon je officier worden. "

"Dank kapitein voor uw waardering." In zijn hart voegde Moshe er stil aan toe, "Ik vraag me wel af hoeveel moed ervoor nodig was om toe te geven dat ik gelijk had."

Wordt vervolgd

Geschreven door Yaakov Bar Nahman en vertaald uit het Engels door Jadied.
Bron: In the Austrian Army

Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer

Halacha is het geheel van de Joodse wet.

Hashem betekent letterlijk: "de Naam" is een vervangende term voor de Almachtige zodat wij niet riskeren Gods naam ijdel te gebruiken.

Mezoeza is een tekstkokertje waarin een stuk perkament waarop met de hand twee delen uit de Tora zijn geschreven en die aan de deurpost van Joodse huizen wordt bevestigd.