Schepping contra Evolutie

Bron: Breslev.co.il Onderstaande is een vertaling van een korte samenvatting van het boek dat dr. Clarke over deze materie heeft geschreven. De samenvatting is geschreven door R. Wheeler.

"God maakte alles groen op de derde dag van de scheppingsweek. De vierde dag schiep Hij de zon, maan en sterren."



1. Planten en Bomen

produceren bloemen om insecten, vogels, vleermuizen en andere dieren aan te trekken. Deze worden bestuivers genoemd, omdat ze ervoor zorgen dat stuifmeel van de ene naar de andere plant wordt gebracht. Ze worden aangetrokken door de kleur van de bloemen en de nectar in de bloem. Zij hebben behoefte aan deze 'godendrank' want het is een deel van hun voedsel. De bloemen roepen als het ware de vogels, 'He kom en drink je cola hier!' Flora heeft de fauna nodig! In de schepping moest alles aanwezig zijn op hetzelfde moment anders zouden we geen zuurstof hebben.

2. Bestuivers brengen Stuifmeel

van de mannelijke plant naar het vrouwelijke deel van een andere plant om die te bestuiven en te bevruchten om zaden te produceren voor de ontwikkeling van groenten en fruit die meestal 's nachts groeien. Dit heet symbiose. Dat woord betekent dat gescheiden levensvormen samenwerken en elkaar daardoor in leven houden. Bijen, vleermuizen, vlinders, vogels en insecten bestuiven en bevruchten voortdurend planten en bomen. Zonder hen zouden we geen eten hebben! Het stuifmeel van de ene plant moet overeenkomen met de aard van de pollen van de andere plant. Het vrouwelijke deel van de plant zal niet instemmen met stuifmeel van een andere plant. Stuifmeel heeft zijn eigen DNA voor elke afzonderlijke plant.

3. Planten hebben een dag en nacht cyclus nodig van 24 uur.

Overdag nemen planten koolstofdioxide op uit de lucht en energie van de zon en geven zuurstof af en produceren ATP energie 1). 's Nachts vermengt de ATP zich met water en mineralen uit de bodem om groenten of fruit te produceren. Als we bijvoorbeeld een dag en nacht cyclus hadden van een maand dan zouden alle planten sterven en zou geen leven op aarde kunnen bestaan. God maakte de belangrijke dag en nacht cyclus van 24 uur op de eerste dag van de scheppingsweek. Hij liet onze aardbol roteren met een dag en nacht cyclus van 24 uur, waardoor planten konden leven en zuurstof en voedsel voor ons konden produceren. 2)

4. De scheppingsweek was perfect voor alle vormen van leven.

De schepping van elke dag maakte het leven mogelijk voor alle vormen van leven. De co-existentie van alle levensvormen werd voltooid en was perfect. Het was co-existentie of geen existentie. God schiep de aarde zonder haar vorm te completeren en haar volledig te ontwikkelen. Toen de scheppingsweek begon, vormde hij op de tweede dag de aarde met 72% water. Dag drie gaf Hij ons voedsel door miljoenen groene planten en bomen. Op de vierde dag gaf de Heer ons de zon voor de fotosynthese 3) en de maan om te voorkomen dat onze planeet zou kantelen. Op de vijfde dag gaf Hij ons allerlei gevleugelde wezens voor de bestuiving en vissen krioelend in de oceanen. Op de zesde dag schiep God de dieren en mensen waarmee Zijn scheppingsweek werd beëindigd.4)

5. Alle planten hebben hun eigen DNA.

U weet dat er geen twee vingerafdrukken gelijk zijn. Dit geldt ook voor planten en dieren. We hebben allemaal onze eigen DNA. 5) Het is uw speciale, unieke genetische code. Het DNA maakt uw persoonlijke genen. U bent een combinatie van genen van uw ouders in een nieuwe combinatie. Dat is de reden waarom u in sommige opzichten op uw moeder lijkt en in andere opzichten weer op uw vader. U bent een nieuwe combinatie van genen van uw ouders in een gloednieuwe vorm. Niemand anders op aarde is als u, want u hebt uw eigen DNA set van genen. Hetzelfde geldt voor planten en bomen. Alle planten hebben hun eigen DNA dat bepaalt welke eigenschappen de plant heeft en of wij de plant kunnen eten. De DNA blauwdruk voor wortelen zal dan alleen wortelen produceren. De DNA-blauwdruk voor appels zal dan alleen appels laten groeien aan deze boom. De groene plant kan alleen produceren wat conform zijn DNA is. U zult nooit een appelboom zien waaraan kersen groeien of bananen. Aan een tomatenplant groeit geen maïskolf.

6. Alle planten hebben hun eigen specifieke reeks van mineralen.

Mineralen komen uit gebroken stenen in de bodem en deze mineralen zijn geassimileerd in de plant door haar wortels en water. Alleen de mineralen die nodig zijn om de bepaalde groente of fruit te produceren worden opgenomen in de plant. Mineralen helpen vitamines, enzymen en hormonen in de plant te produceren en die moeten gelijk zijn aan wat het DNA nodig vindt voor het produceren van bepaalde groenten of fruit. Daardoor kunnen we bepaalde groenten en fruit eten en krijgen we de nodige vitaminen en mineralen binnen die goed zijn voor onze gezondheid.
Niet alle mineralen werken. Mineralen die nuttig zijn voor de ene plant zullen een andere plant doden. Het is gemakkelijk te begrijpen dat maïs andere mineralen nodig heeft dan groene erwten. Dit geldt ook voor een appel en een sinaasappel. Alle soorten planten maken gebruik van hun eigen set mineralen en hoeveelheden van deze mineralen.

Hoe maakt een plant of een boom onderscheid tussen mineralen?

God de Schepper maakte een speciale set van cellen die functioneren aan de wortel van elke plant die Endormis Cellen 6) worden genoemd. Deze cellen fungeren als een schildwacht en bewaken de toegang van het leidingsysteem van planten. Ze laten alleen de mineralen binnen waarom de DNA vraagt. Deze cellen fungeren als een selectieve pomp en worden poortwachters genoemd.

Wat leert de evolutie theorie? Waarom is dat concept helemaal verkeerd?

1. Het is verkeerd gezien in de tijd frames. Als al deze levensvormen in miljarden jaren apart evolueren dan kan er geen sprake zijn van gelijktijdige symbiose tussen planten, insecten, vogels en dieren. Een bepaalde levensvorm zou niet aanwezig zijn om de ander te helpen. Beide zouden nooit tot stand kunnen komen met in achtneming van genoemde evolutionaire veronderstelling.
2. Co-evolutie heeft nooit plaatsgevonden. De veronderstelling dat tijdens de ontwikkeling van elke groene plant ook op hetzelfde moment een insect of een bij of een vogel zich had ontwikkeld om de plant bij te staan is nooit bewezen, gezien of waargenomen. De reden dat het nooit gebeurd is, is omdat er geen twee groene planten zijn die zich ontwikkelden tot een nieuwe andere plant vanwege de specifieke minerale voedingsstoffen in alle planten. Het totale verschil in de soorten mineralen en de hoeveelheden van mineralen voor elke plant en boom maakt de evolutie in het plantenrijk onmogelijk.
3. Er zijn in de musea wereldwijd geen fossielen die tweeslachtige levensvormen laten zien. Alle fossielen zijn van soorten die in het begin door God zijn geschapen. Als evolutie waar zou zijn dan zouden er fossielen van planten, insecten, dieren, vogels, enz. in een zich ontwikkelende vorm moeten bestaan. Er zijn er geen. Fossielen tonen aan dat geen intermediaire vormen van leven ooit hebben bestaan, maar wijzen naar de unieke schepping van alle soorten. Evolutie heeft nooit plaatsgevonden. Door de schepping van God is alles ontstaan. 7)

Noten van de vertaler.

1) Energie is moeilijk op te slaan. Cellen halen hun energie vooral uit de verbranding van glucose in de mitochondriën (structuren in een cel die enzymen bevatten, welke betrokken zijn bij de energie productie). De verbranding is een ingewikkeld proces waarvoor enkele tientallen enzymen nodig zijn. Om energie tijdelijk op te slaan en te vervoeren wordt de energie in de stof ATP gestopt. Aan ADP 1a) wordt een extra fosfaat geplakt. De energie die daarvoor nodig is zit in een zogenaamde energierijke binding. De ATP met de daarin opgeslagen energie is overal in de cel aanwezig. Zodra ergens energie nodig is wordt de fosfaatgroep losgemaakt. De ADP en fosfaat gaan door diffusie naar de mitochondriën en kunnen weer omgezet worden in ATP.
1a Adenosinedifosfaat (ADP). Bron Wikipedia. a) Adenosinedifosfaat (ADP) wordt vooral gevormd bij de omzetting van adenosinetrifosfaat (ATP), de belangrijkste energiebron voor moleculair-biologische reacties in veel organismen. ADP is tevens een grondstof voor de aanmaak van ATP door middel van het F-type ATPase. Men kan dus stellen dat er recycling is van ATP en ADP.
2) Als ons klimaat al door teveel CO2 zou veranderen, waarvoor nog nimmer een bewijs is geleverd, dan is dit probleem heel gemakkelijk op ter lossen door meer bomen te planten. Opslag in de grond is je reinste waanzin.
3) Fotosynthese is een proces waarin lichtenergie wordt gebruikt om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten, zoals glucose. Het proces komt voor in planten en sommige bacteriën.
4) Ik ben overigens van mening dat God ook de Shabbat schiep, de zevende dag. Zie Genesis 2: 1-4
Desoxyribonucleïnezuur (DNA). Bron Wikipedia. 5) Desoxyribonucleïnezuur of DNA is de belangrijkste chemische drager van erfelijke informatie in alle bekende organismen. Een DNA-molecuul bestaat uit twee lange strengen van nucleotiden, die samen zich buigen tot een dubbele helix. De twee strengen zijn aan elkaar verbonden door zogenaamde baseparen. Een basepaar verbindt twee tegenover elkaar liggende nucleotiden. De volgorde van nucleotiden in een streng wordt een sequentie genoemd. Omdat er zeer veel sequenties mogelijk zijn, kan de volgorde van nucleotiden unieke erfelijke informatie verschaffen.
6 Binnenste cellenlaag van de schors (Schorsgrenslaag), vooral bij wortels. De endodermis is betrokken bij de selectieve opname van stoffen door de wortel.
7 Het is niet zo dat God na de schepping niet meer omkeek naar Zijn schepping. Hij vernieuwt zijn schepping elke dag. God is dus niet allen schepper maar ook onderhouder van deze wereld en het heelal. zonder zijn niet aflatende scheppingsactiviteit zouden wij hier niet meer bestaan.


Aantekeningen

Home Malben

Begrippenlijst

printer